woensdag 25 april 2012

het verdriet van de engelen - jon kalman stefansson

Onze recente herinneringen aan IJsland beperken zich veelal tot de crash van ooit succesvolle banken als Kaupthing. Toen die bankencrisis uitmondde in een economische crisis, liep het lelijk mis met het eiland. Zonder overheidsingrijpen riskeerde het teruggekatapulteerd te worden naar de tijd die Jón Kalman Stefánsson beschrijft in zijn roman Het verdriet van de engelen: de late negentiende eeuw, toen IJsland economisch bijna exclusief afhankelijk was van vis.
‘Het is ook hopeloos in dit land te wonen', zucht het naamloze hoofdpersonage. De jongen is met postbode Jens over land en zee op weg om brieven te bezorgenaan verafgelegen geadresseerden. Stefánsson schuwt de stereotypering van de destructieve natuur allerminst: bergen zijn ongastvrij, gletsjers onverbiddelijk, zeeën bitter koud, stormen episch en mensen stuurs. ‘Als de duivel iets in deze wereld heeft bewerkstelligd, afgezien van het geld, dan is het stuifsneeuw hoog in de bergen', geeft hij als motto mee. Dat is meteen het verdriet uit de titel.
De winter is zo radicaal dat kou vatten levensbedreigend is. Dat was al het uitgangspunt van Hemel en hel, het eerste deel van de trilogie waarvan Het verdriet van de engelen het tweede is. Hemel en hel vertelt hoe Bardur, de beste vriend van de jongen, tijdens het vissen sterft aan onderkoeling, en de jongen daarna helemaal op de dool geraakt. Voor hij in Het verdriet van de engelen met Jens op tocht vertrekt, wordt hij getroost en opgevangen in het dorp, tot hij weer op krachten is. Hij leest er Othello, en leert over liefde en vrouwen.
Literatuur speelt geen onbelangrijke rol in deze trilogie. Bardur vergat in Hemel en hel zijn warme jas omdat hij zo geboeid was door Paradise lost, en de reden voor de lange postroute in Het verdriet van de engelen is dat mensen willen kunnen lezen. Het veronderstelt een hooggestemde visie op literatuur: woorden kunnen ‘het landschap van de mens' veranderen, en beïnvloeden de wereld. Literatuur is troost bij Stefánsson: men draagt onderweg poëzie voor, boeken worden uit brandende huizen gered, mensen willen ervoor sterven. Er is meer in het leven dan alleen maar overleven.
Stefánsson ziet zich als dichter. Hij bedient zich van een barokke, soms pathetische taal, geheel in lijn met de omstandigheden van het verhaal. Door zijn focus op taal, die ongewoon is in historische romans, en op de gedachten van en de relatie tussen Jens en de jongen bekleedt Het verdriet van de engelen een unieke positie in de hedendaagse Scandinavische literatuur, waar de geëngageerde historische roman goed gedijt. Hier wordt geen stem gegeven aan een figuur die er voorheen nog geen had, maar wordt met de tocht een overgangsrite volbracht. De tijdsaanduiding blijft vaag en de personages worden niet uitgediept. Het zijn archetypische figuren in een mythologisch landschap. Over alles hangt een miserabilistische sluier.
In een zeldzaam interview verklaarde Stefánsson: ‘Ik gebruik de poëzie, [...] de muziek die ik diep in de taal hoor, om de woorden te vergroten, zodat ze zowel het verstand als de emoties kunnen stimuleren'. Het verhaal is in deze roman bijna bijzaak. Emotioneel gewonde jongen onderneemt gevaarlijke tocht in onmenselijke omstandigheden: daarmee is alles gezegd. De waarde zit in wat andere auteurs als ruis beschouwen: filosofische terzijdes, aforistische bemerkingen en veel woorden. Ze werken als een mantra. Stefánsson smeert zijn zinnen uit als strepen zalf op zere plekken. De onthaasting is hier boek geworden.
Het verdriet van de engelen balanceert voortdurend op de slappe koord tussen actie en beschouwing. Naarmate het boek vordert, vindt Stefánsson beter zijn evenwicht met fascinerende anekdotes en een tocht met een dode vrouw die herinnert aan William Faulkners As I lay dying. Vooral daar fonkelt het talent dat van hem de belangrijkste IJslandse schrijver maakt.


Jón Kalman Stefánsson / Het verdriet van de engelen / vertaling: Marcel Otten / Anthos / 325p / gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 20/04/2012

donderdag 1 maart 2012

sumobroers - morten ramsland

'Dan ben je blijkbaar vergeten hoe het was', antwoordt het hoofdpersonage van David Mitchells Dertien op de verzuchting van zijn vader dat hij graag zelf weer dertien zou zijn. In Sumobroers van Morten Ramsland is het hoofdpersonage Lars geen dertien maar elf, en ook in de suburbane jungle van Odense in Denemarken is de prepuberteit allerminst een feest.
De jeugd van de beruchte Paradijswijk is anno 1981 bijna permanent in staat van oorlog. Wie wil overleven, moet hopen op een grote broer of constant zijn loyauteit bewijzen aan strategisch gekozen vrienden. De dagelijkse activiteiten zijn even omstreden als gevarieerd. Ze verkennen hun lichaam - ook met dieren - en als ze niet op zoek zijn naar porno, dan martelen ze padden, of binden kleinere kinderen vast in het veen. Zelfs in de bibliotheek wordt Lars scheef bekeken: 'Ik kon me niet herinneren of ik ooit rotzooi had getrapt in de bibliotheek - misschien wel.' Beter is: ongetwijfeld wel.
Het enige alternatief voor geweld is escapisme. Lars vlucht vaak in 'fantasiereizen': hij ontsnapt aan de werkelijkheid door uit zijn lichaam te treden en weg te vliegen tot zijn wijk ver weg is, niet meer dan een plek 'als zoveel andere plekken'. Alleen kan hij dat nooit lang volhouden.
In Denemarken heeft Ramsland vooral naam gemaakt als kinderboekenschrijver, maar internationaal brak hij door met Hondenkop, het Deense Boek van het Jaar in 2005. Zijn eerste roman was een breed opgezette familiegeschiedenis die hem in de traditie plaatste van verhalenvertellers als John Irving en mede-Scandinaven Peter Høeg en Lars Saabye Christensen. Ook in Sumobroers volgen de fantasierijke anekdotes en groteske avonturen elkaar in sneltempo op.
Lars' waanbeelden wortelen in onzekerheid. Wat voert zijn vader in het schild? Is hij wel echt zijn vader? 'We hielden van pa omdat hij ons voortdurend verliet en we verachtten ma omdat ze bleef', vat Lars de situatie samen. Hij gaat op zoek in de wijk, rond de zuiveringsinstallatie en in het veen - de grens tussen de voorstad en het platteland. Dat laatste is bij Ramsland niet onbedorven en bucolisch, maar ongenadig en scabreus, helemaal in lijn met de herijking van de streekroman zoals ook zijn landgenoot Erling Jepsen die toepast. Zowat alle personages hebben grove bijnamen als Overbeet en Spast, en problemen worden rechtuit benoemd: de buitenechtelijke relatie en depressie van zijn vader, de drankzucht van zijn grootvader, het veen dat alles opslokt.
Sumobroers biedt meer dan brutale slapstick. De spanningsboog zit goed: de mysteries die Ramsland introduceert, worden maar geleidelijk aan ontsluierd. Bovendien geeft Ramsland Lars' zoektocht een universele urgentie. De jongen deelt zijn problemen veeleer met de jongeren van pakweg Dimitri Verhulst en Niccolò Ammaniti, dan met die van David Mitchell.
In het doolhof van de prepuberteit stuit Lars op verleidelijke gevaren: de esthetiek van stoerheid, de opwinding van geweld en sadisme. Hij moet ze omzeilen om in de waas van het heden de waarheid van het verleden te vinden. Uiteindelijk streeft Lars net als iedereen naar vrijheid en onschuld, maar ondervindt hij dat verloren onschuld nooit meer terugkomt, en dat de vrijheid van de ene stopt waar die van de ander begint. Sumobroers heeft iets van een bildungsroman, maar Ramsland blijft te dicht bij de oppervlakte om echt op dat genre aanspraak te kunnen maken.
Aan de existentiële dimensie van zijn verhaal voegt Ramsland ook nog een maatschappijkritische laag toe. Als Lars en zijn vrienden wat geld proberen te verdienen door een volkstuintje af te graven, ontdekken ze dat het op een oud afvaldepot ligt, zoals wel met meer tuinverenigingen in Denemarken het geval is. 'Ze hebben het veen met afval gevuld en daarna hebben ze de hele rotzooi aan ons verkocht', klaagt de eigenaar, maar hij wordt als hippie weggezet. Ook de Deense welvaartsstaat kent verliezers, al wonen ze dan in een wijk die een cynische ambtenaar naar de tuin van Eden heeft vernoemd.

Morten Ramsland / Sumobroers / vertaling: Gerard Cruys / De Arbeiderspers / 220p / gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 24/02/2012

vrijdag 24 februari 2012

de laatste griek - aris fioretos

In 2009 greep De laatste Griek van Aris Fioretos, dat de voorbije zomer in het Nederlands verscheen, net naast de prestigieuze, naar Strindberg genoemde Augustprijs. De belangrijkste Zweedse literaire bekroning ging naar het magistrale Holocaustepos De onzaligen van Lodz van Steve Sem-Sandberg.
Alle verhoudingen in acht genomen delen beide romans enkele belangrijke thema’s: identiteit, constructie, gemis, documentatie. Bovendien leven er naast miljoenen Joden ook heel wat Grieken in de diaspora. De laatste Griek volgt het spoor naar Zweden. Aris Fioretos zelf is geboren in Göteborg, maar heeft, zoals ook al blijkt uit zijn naam, Griekse roots. Als Griek in het buitenland heeft hij zichzelf een rol bezorgd in zijn eigen roman – dat schrijft hij althans in zijn inleiding.
Het maakt allemaal deel uit van de mystificatie die aan de roman ten grondslag ligt. In de inleiding vertelt Fioretos dat hij na de dood van een zekere Kostas Kezdoglou een ’manuscript’ heeft gekregen van de overledene met de expliciete wens om het uit te geven. De inleiding is in die zin een aan Borges of Eco herinnerend commentaar van de schrijver van de roman op de verteller van de verhalen die samen de roman vormen.
Het manuscript is een verzameling van honderden registerkaarten, voornamelijk over de naar Zweden geëmigreerde Griek Jannis Georgiadis. Als geheel vormen die kaarten over Jannis een supplement bij de 12-delige Encyclopedie van vertrokken Grieken, een door Kostas’ grootmoeder Helena in 1922, naar aanleiding van een andere emigratiegolf, gestart project.
Voor alle duidelijkheid: ondanks de doorwrochte constructie met de indexkaarten, ondanks het postmoderne topos van het ‘gevonden manuscript’ en ondanks de academische adelbrieven van Fioretos, die als literatuurprofessor in Berlijn en aan John Hopkins gepokt en gemazeld is in de deconstructie, is De laatste Griek erg leesbaar.
Fioretos toont zich een exponent van de leesbare strekking van het postmodernisme, in de geest van de vroege Paul Auster en de late Nabokov, allebei auteurs die hij van het Engels naar het Zweeds heeft vertaald. Met Auster deelt Fioretos overigens twee opmerkelijke literaire thema’s: de fascinatie voor exhaustieve, dwangmatige documentatie, en het spelletje poker met dramatische afloop (zie Austers De muziek van het toeval).
De emigratie van Jannis mag dan al gekaderd zijn in de militaire staatsgreep van Georgios Papadopoulos van 21 april 1967 en het daaropvolgende zeven jaar durende Kolonelsregime, toch is de hoge inzet van een verloren pokerspel de directe aanleiding van zijn vertrek. Hij kiest voor Zweden omdat zijn grote liefde daar al woont.
Het leven van Jannis wordt middels de registerkaarten gefragmenteerd verteld, zonder al te strikte chronologie, met veel vooruit- en achteruitverwijzingen. Komen aan bod: het verleden van zijn familie in een klein dorpje in Griekenland, de historische gebeurtenissen die met de familiegeschiedenis verweven zijn en zijn voortschrijdende assimilatie in Zweden, maar ook de twijfel, de melancholie, de heimwee en het gemis waarmee die assimilatie gepaard gaat.
Het verhaal van Jannis geeft een aanduiding van wat het betekent Griek te zijn, en kan symbool staan voor de levensverhalen van geëmigreerde Grieken. Het is het resultaat van een droom de gemeenschap te herschapen.
Door de beperkte betrouwbaarheid van het geheugen is die herschepping uiteraard een constructie, met slechts een vaag onderscheid tussen feit en verbeelding. ‘De verbeelding is voor de Grieken altijd een vergif geweest’, schrijft Fioretos, maar uiteindelijk hebben ze het, net als poëzie, nodig om het leven verteerbaar te maken. Fioretos benadert zijn taal in elk geval alsof het poëzie is – hij heeft een opvallend rijke, soms bijna barokke en altijd indringende stijl, met een bijzonder talent voor beschrijvingen, en is tegelijkertijd lichtvoetig en relativerend.
Jannis wordt in de roman ‘de Zweedse Hercules’ genoemd – nu de gouden appels van de Hesperiden geplukt zijn en Cerberus uit de onderwereld is gehaald, kan het schrijven van de geschiedenis van vertrokken Grieken als het 13de werk worden beschouwd. Het resultaat, het verslag van een schier eindeloze en door haar ambitie bijna per definitie onmogelijke onderneming, is een even ongewone als interessante en geslaagde roman – zoals we, kortom, van een literaire Hercules mogen verwachten.


Aris Fioretos / De laatste Griek / vertaling: Hans Peter Westin / Querido /  357p

woensdag 11 januari 2012

de hedendaagse deense literatuur

interview in Babel, Klara, 10 januari 2012

"Denemarken is sinds 1 januari voorzitter van de EU. We kennen de Deense Dogma-films, de legoblokjes en de sprookjes van Hans Christian Andersen, maar daar houdt onze kennis doorgaans op. Babel geeft u een stoomcursus Deense cultuur. Correspondent Dirk Evers geeft een introductie in de Deense samenleving. Rob Leurentop praat over de wervelende Deense jazzscène. Interieurarchitecte Gilberte Claes ontwikkelde een vurige passie voor het Deense meubel. Klaus Bondam is directeur van het Deens Cultureel Instituut in Brussel, maar was in een vorig leven adjunct-burgemeester van Kopenhagen en acteur in de beruchte film Festen. Filosoof Karl Verstrynge is helemaal in de ban van Soren Kierkegaard. En met recensent Alexander Van Caeneghem bladeren we door de hedendaagse Deense literatuur." (©klara, 2012)

herbeluisteren op http://radio.klara.be/radio/10_programmas.php?datum=120110&xml_program=KL02120110LBAB.xml (laatste +/- 10 minuten)

zaterdag 24 december 2011

eindejaarslijstje

Wat vond u het beste boek van het jaar?
Darlah (Podium) van Johan Harstad en Vader (De Geus) van Karl Ove Knausgård: de opwindendste Scandinavische stemmen spreken nog steeds Noors. Harstad en Knausgård incarneren met hun proza de essentie van de hedendaagse Scandinavische literatuur: de typische melancholie, de streekroman, christelijke thema's en maatschappijkritisch engagement. Bovendien schrijven ze fantastisch - hypnotiserend, verslavend, strak.
Daarnaast: De kaart en het gebied (Arbeiderspers). De output van Michel Houellebecq is relatief beperkt, maar wat hij doet, is vrijwel zonder uitzondering van hoge kwaliteit en bijzonder interessant. En, al is die eigenlijk op de valreep nog in 2010 gepubliceerd: Bonita Avenue (De Bezige Bij) van Peter Buwalda.
Het was al van Paul Verhaeghens Omega Minor geleden dat een Nederlandstalige roman nog zoveel indruk maakte. Buwalda heeft veel: de thema’s, de reikwijdte, de humor, de stijl.

Welk boek kreeg het voorbije jaar niet voldoende aandacht?
Met Knausgård komt het wel goed, maar het is een raadsel waarom Johan Harstad nog geen vedette is. Net als Buzz Aldrin en Hässelby bleef zijn Darlah (Podium) grotendeels onder de radar. Verder had The ask (Farrar, Straus and Giroux) van Sam Lipsyte dit jaar een Nederlandse vertaling verdiend. 'Hysterically funny … amazing', 'de eerste grote post-Irakroman', zegt de blurb. Daar is geen woord van gelogen.

Welke klassieker wil u in 2012 absoluut (her)lezen?
De wilde detectives (Meulenhoff) van Roberto Bolaño en Een samenzwering van idioten (Vassallucci) van John Kennedy Toole. Of Hoe worden landen welvarend?(ASP) van Adam Smith. Misschien kunnen we er echt nog iets van leren, in plaats van het als alibi voor deregulering te misbruiken.


Eindejaarslijstje gepubliceerd in Standaard der Letteren van 23/12/2011.