Posts tonen met het label harstad. Alle posts tonen
Posts tonen met het label harstad. Alle posts tonen

zondag 22 juni 2014

ambulance - johan harstad

‘Waarom geven sommige mensen het gewoon op?’ vraagt Harstad zich in het nawoord van Ambulance af. Dat ligt in de lijn van het nawoord bij zijn geweldige roman Hässelby uit 2009, waar hij vaststelde: ‘Het lijkt bijna wel of we zijn opgehouden om voor elkaar te zorgen, zijn opgehouden rekening met elkaar te houden. Wij zijn bezig elkaar op te geven.’
De verhalen raken elkaar: hoofdpersonages uit het ene verhaal komen terug als nevenpersonages in andere, personages kijken naar dezelfde tv-programma’s en horen of zien dezelfde ambulance. Alle verhalen draaien rond eenzaamheid. Het is een sjabloon bij Harstads personages: ze hebben een vrij onbezorgde jeugd, beseffen dat hun leven volstrekt zinloos is, verzeilen in een depressie en proberen dan, eventueel, voorzichtig de ruïnes van hun leven te stutten. Die laatste fase is voor Harstad het bepalende moment: sommigen geven het op, anderen niet.
De vrouw die zichzelf in plastic heeft gewikkeld als verzegeling voor ze stikte (in het hartverscheurende verhaal ‘112’) heeft het al opgegeven, net als de man die, nadat hij zijn eigen kantoorgebouw heeft opgeblazen, onder het puin zijn gsm-batterij gebruikt om Snake te spelen in plaats van hulp te vragen (in het surrealistische ‘Nokia’). Maar de psycholoog die ’s avonds praat met de virtuele psychologe Eliza en niemand heeft om een valentijnskaart naar te versturen (in het treurige ‘Vietnam’), en de jongen die zijn zwemdiploma moet halen om naar dezelfde school te kunnen gaan als zijn anorectische vriendinnetje (in het mooie ‘Chloor’), die houden het nog even vol. Het anorectische meisje twijfelt nog: door niet meer te eten, is ze bezig te verdwijnen, maar de jongen houdt haar nog vast.
Rustig ademhalen
Het leven is niet gemakkelijk in Harstads universum. Om te beginnen biedt de liefde nauwelijks verlossing: wie nog niet verlaten is door zijn geliefde, kan dat binnenkort verwachten. Elk moment kan het wegglijden beginnen, kun je onzichtbaar worden voor de ogen van de andere. De student uit ‘Ik ga naar huis’ wil het liefste dat er nooit iets verandert, omdat anders het onvermijdelijke zal gebeuren. Bovendien tikt de tijd onstopbaar verder. De jongen die graven delft in zijn geboorteplaats, ziet een oude vriendin terug voor ze naar Tokio vertrekt voor een job. Hij beseft dat het te laat is, dat er geen tijd meer is, ook al zou hij eigenlijk niets liever willen dan meegaan (‘We blijven rock-’n-roll spelen, maar we gaan wel dood’). Harstad schrijft over dingen die niet noodzakelijk precies benoemd kunnen worden, maar wel ergens onderweg verloren zijn gegaan.
Harstad extrapoleert die problematiek naar de maatschappij, die geen echt antwoord biedt op fundamentele menselijke behoeftes als zorg, solidariteit en sociale cohesie. Het gevolg is dat mensen zich ontredderd terugtrekken in de schaduw van het leven, en verlangen naar onzichtbaarheid. Hoewel escapisme een constante is bij Harstad – naar de Faeröer in Buzz Aldrin, een Stockholmse voorstad in Hässelby, de maan in Darlah, Tokio of Stavanger in Ambulance – blijkt vluchten principieel zinloos. Er is maar één oplossing: ‘Het is gewoon een kwestie van volhouden. Je reddingsvest aantrekken, je drijvende houden, bij wijze van spreken. Rustig ademhalen. Het vliegtuig verlaten’.
Praatpleinen
Ambulance is geen vrolijk boek, maar is nergens volstrekt uitzichtloos. Niet toevallig sluit Harstad de bundel af met een prachtig verhaal over een weduwnaar die vanuit een luchtballon foto’s van hem met zijn overleden vrouw over Stavanger uitstrooit, vervolgens alle ballast overboord gooit en dan gewoon verder opstijgt, naar de hemel (‘Op weg’). Ook dat is Harstad ten voeten uit: altijd is er nog hoop, want alles houdt pas echt op als je opgeeft. En de alternatieven die hij aanreikt, zijn erg bereikbaar: voor elkaar zorgen, met elkaar praten en naar elkaar luisteren, het weefsel van de gemeenschap verstevigen, de heroïek van het alledaagse verkennen.
Het klinkt wollig, maar dat is het nooit – integendeel. Harstad gelooft dat hij lezers tot inzicht en actie kan brengen met woorden, door steeds op dezelfde nagel te kloppen. Maar het zou niet verbazen mocht hij, in navolging van een initiatief als de ‘geefpleinen’ van Jeroen Olyslaegers, ooit met ‘zorgpleinen’ of ‘praatpleinen’ pionieren.
‘Van alle boeken die ik tot nu toe heb geschreven, is dit het minst geredigeerd’, schrijft Harstad in zijn nawoord. Soms had dat nochtans geen kwaad gekund, want niet elk verhaal is even sterk uitgewerkt. Maar de innerlijke noodzaak primeerde. En het is indrukwekkend om te zien hoe de piepjonge Harstad hier al zijn pulserend, vitalistisch proza schrijft met lange zinnen vol komma’s, al is de techniek nog niet helemaal verfijnd. Het relevante, begeesterende, hartverscheurende en ontroerende, de verwijzingen naar de popcultuur, de soms surrealistische wendingen, de verwevenheid met grote maatschappelijke verhalen, het vermogen om lezers een verhaal binnen te trekken en niet meer los te maken: alle kiemen van Harstads schrijverschap zijn hier al, vaak opvallend matuur, aanwezig.
Perfect is Ambulance niet. Maar het is wel een sterke bundel korte verhalen, en het markeert passend de geboorte van een kolossaal, onstuimig talent. Daar kunnen vele anderen alleen maar van dromen.
Johan Harstad / Ambulance / vertaling: Paula Stevens / Podium / 199p / gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 16/05/2014

maandag 8 augustus 2011

darlah. 172 uur op de maan - johan harstad

Darlah is in de nieuwe roman van Johan Harstad de naam van een fictieve maanbasis in de Zee der Stilte, waar Armstrong en Aldrin landden in 1969. Ze werd tussen 1972 en 1974 gebouwd. De Nasa was van plan om er personeel te stationeren, maar raakte in 1976 het grootste deel van haar financiële steun kwijt. De reden: wat op de maan ontdekt werd, was ‘niet de soort ontdekking waar je geld voor krijgt om het verder te onderzoeken'.

Toch staat in Darlah voor 2012 een nieuwe maanexpeditie gepland. Om fondsen te werven en media-aandacht te krijgen wordt een wereldwijde loterij uitgeschreven om drie tieners mee te nemen in de spaceshuttle. De winnaars zijn Mia uit Stavanger, Midori uit Tokio en Antoine uit Parijs. Maar kort na hun aankomst in de maanbasis loopt het al fout – geleidelijk wordt het duidelijk welke ijzingwekkende ontdekkingen in 1976 de geldstroom hebben doen opdrogen.

Pageturner

Harstad heeft van die intrinsiek spannende materie een beklijvende pageturner gemaakt. Daartoe gebruikt hij naast klassieke thrillerelementen als suspense en voorafspiegelend vertellerscommentaar ook enkele horrorthema's: een hele hoop doden, de luchtledigheid op de maan (waardoor niemand je kan horen schreeuwen), de urban legend van Kuchisake-Onna (zie Wikipedia), 6EQUJ5 (in de astronomie bekend als het ‘Wow!-signaal') en dubbelgangers.

Referenties naar tv-series als Lost en Twin Peaks en filmklassiekers als Alien, Solaris en The exorcist: het is, zoals steeds bij Harstad, een feest van herkenning. Hij noemt Darlah ‘een soort eerbetoon aan de genrefilms en de boeken' waarmee hij is opgegroeid – dat betekent vooral dat beschrijvingen en karaktertekening louter ten dienste staan van de plot, maar toch is het resultaat meer dan een stijloefening. Thematisch past Darlah in de lijn van zijn twee vorige, eveneens uitstekende romans, Buzz Aldrin en Hässelby.

De basishouding van Harstads personages is onvrede met het leven-zoals-het-is. Antoine is gedumpt door zijn lief, alsof de tijd die hij had ‘op de parkeermeter van de liefde', afgelopen was. Midori wordt gepest op school, schuilt in de extravagante subcultuur van Tokio en is op haar hoede voor de Japanse val: vroeg trouwen met een saaie kantoorklerk en huisvrouw worden. Mia kanaliseert haar ontevredenheid in haar band. Een ander belangrijk personage, Himmelfarb, de voormalige conciërge van Area 51, volgt de expeditie vanuit het home waar hij eenzaam op de dood zit te wachten, en slaagt er niet in de mensheid te waarschuwen.

Escapisme

De maanreis lijkt voor de personages een prima manier om hun problemen te ontvluchten. Escapisme is een constante bij Harstad, maar telkens blijkt het principieel zinloos. Terwijl de jongelui in de ruimte absolute vrijheid zoeken, vinden ze de beklemming van een astronautenpak, een spaceshuttle, een maanbasis. Vluchten maakt de problemen alleen maar erger.

Daarnaast heeft Harstad in het verhaal nog enkele van zijn obsessies verwerkt: de teloorgang van iconen, onverklaarbare fenomenen en het einde van de wereld. De Nasa, het icoon van wetenschappelijke almacht en kolonisatiedrang van de mens, vertilt zich in zijn ambitie. De onverklaarbare fenomenen zijn de voortekenen die de jongelui krijgen voor ze vertrekken: ze hadden kunnen weten dat het fout kon lopen als ze open hadden gestaan voor wat onwerelds leek. Het einde van de wereld, tenslotte, is zowel een gedachte-experiment als de potentiële ultieme consequentie van de maanexpeditie.

Het basso continuo van Harstad is onbehagen. ‘And as things fell apart, nobody paid much attention', zingen Talking Heads op de mp3-speler van Mia. Het balt een cruciale bekommernis van Harstad samen: de wereld gaat verloren, en niemand doet er iets aan. Hij stelt het melancholisch vast, betreurt het, maar esthetiseert het ook, in tedere en ontroerende beelden, en besluit ondanks alles met een positieve boodschap: ‘pas als je opgeeft, houdt het allemaal echt op'. In het aanzicht van de dood komt het besef hoe mooi alles is, en dat in deze wereld alles mogelijk is. Het is misschien nog net niet te laat om te veranderen.

In Noorwegen werd Darlah oorspronkelijk als ‘adolescentenroman' in de markt gezet, maar laat u niets wijsmaken: de nieuwe meesterproef van wellicht het allergrootste talent in de Scandinavische literatuur is een boek voor iedereen. Darlah is verslavend, beklemmend, ontroerend, intelligent en gewoon verschrikkelijk goed geschreven.


Johan Harstad / Darlah. 172 uur op de maan / vertaling: Paula Stevens / Podium / 368p / recensie 'Verrassing op de maan' gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 05/08/2011

donderdag 16 juni 2011

'het kansloze escapisme van johan harstad'

Terwijl de sociaaldemocratie onder vuur ligt als dirigent voor de financiële en economische crisis, neemt de Noorse schrijver Johan Harstad haar ook kwalijk dat ze geen antwoord biedt op enkele fundamentele menselijke behoeftes. In zijn nieuwe roman Darlah is dat niet anders: groot zijn de bezwaren tegen het leven in het boek. Toch is vluchten voor de beste Scandinavische schrijver van het moment nooit een oplossing.

Darlah. 172 uur op de maan (2011) is een scifi-thriller. Harstad heeft het over een fictieve maanbasis in de Zee der Stilte, waar Armstrong en Aldrin landden in 1969. Om makkelijker media-aandacht en fondsen te werven voor een nieuwe maanexpeditie naar Darlah in 2012, schrijft de NASA een loterij uit om drie tieners mee te nemen: Mia uit Stavanger, Midori uit Tokio en Antoine uit Parijs. Alleen: de NASA heeft nooit verklaard waarom ze precies terug naar de maan wil. De uiteindelijke expeditie ontdekt al snel dat het reizen naar de maan in de jaren 1970 niet zomaar stopgezet is.

Met Darlah wijkt Harstad vormelijk en inhoudelijk af van zijn blauwdruk in Buzz Aldrin, waar ben je gebleven? (2006) en Hässelby. Het demonteren kan beginnen (2009), waarin een naïeve ik-verteller zijn eigen kleine verhaal verweeft met een groter maatschappelijk verhaal: respectievelijk de maanlanding in 1969 en het verval van de Zweedse sociaaldemocratie. In zijn nieuwe roman daarentegen begint het kleine verhaal met een onbezorgde jeugd, die dan afglijdt tot een besef van volstrekte zinloosheid en culmineert in een eenzame depressie. Tot slot proberen de peronages voorzichtig de ruïnes van hun leven te stutten.

Al is die macrostructuur afwijkend, toch bouwt Harstad met Darlah verder aan een solide, relevant oeuvre. Hij zet zijn figuren in een proefsituatie: uit hun gedrag vallen impliciet conclusies te trekken die ver voorbij de grenzen van de fictie reiken. Het uitgangspunt achter hun verhalen is een diepe onvrede met het leven zoals het is – een vaststelling waarvoor er verschillende, cumulatieve oorzaken zijn.
Onvrede
Harstads romans spelen in een tijd waarin van de grote maatschappelijke ideologieën alleen nog de verhalen resten. De teloorgang van de praktische Scandinavische sociaaldemocratie na de moord op Palme in 1986 is exemplarisch voor het morele failliet van alle bevoogdende verzorgingsstaten. Ze hebben de fundamentele eenzaamheid van de mens niet opgelost, niet iedereen in gelijke mate gelukkig gemaakt en cohorten waarnemers gecreëerd die alles wel zien gebeuren, maar er niets tegen ondernemen. De verzorgingsstaat faalt ook concreet wanneer in Buzz Aldrin het opvangtehuis dat patiënten voorbereidt op re-integratie, geen overheidsgeld meer krijgt en de deuren moet sluiten. De wereld in Darlah is breder dan Scandinavië. In de Verenigde Staten zit een oude man die nog op Area 51 heeft gewerkt, eenzaam in een home op de dood te wachten. In Tokio loert de ‘Japanse val’: mannen die na hun saaie kantoorjobs uitgeput in slaap vallen op de trein, op weg naar hun vroeg getrouwde, verbitterde huisvrouwen.

Daarnaast zijn er de harde wetmatigheden van het leven zelf: de sturende kosmische kracht is blind toeval, de veeleisende arbeidsmarkt vereist complexe keuzes, en van de liefde is niet noodzakelijk verlossing te verwachten. Jongens worden bij Harstad van de ene op de andere dag door meisjes ingeruild voor iemand anders, alsof de tijd die ze hadden ‘op de parkeermeter van de liefde’, simpelweg afgelopen was. Ze worden bedrogen met iemand ‘die niet bang is van het leven’, of ze kiezen er zelf voor om dichter bij hun hopeloos verbitterde vader te zijn, ook al moeten ze daarvoor een prima relatie afbreken waarin ze zich wat minder eenzaam voelden.
Escapisme
Bovendien is er geen god of archimedisch punt: Harstads universum wordt gekenmerkt door de onmogelijkheid van transcendentie. De wereld van zijn personages kent hoogstens nog iconen: bekende modellen of hogere instanties om zich aan te spiegelen. Maar ook die kunnen de leegte van de goden niet opvullen en deemsteren weg. In Darlah is het icoon van dienst de NASA – het ongebreidelde vooruitgangsoptimisme van de mens, de wetenschappelijke almacht, de kolonisatiedrang. In Buzz Aldrin zakt Mattias onder een zwarte zon weg in zijn eigen depressie, zich vereenzelvigend met Buzz, de tweede man op de maan. Die was na zijn avontuur ook zelf al tenonder gegaan in een spiraal van wanen en alcohol. In Hässelby is de verteller dan weer een volwassen versie van Albert Åberg, de kleuter uit de bekende Zweedse kinderboeken van Gunilla Bergström. Hij veroorzaakt eigenhandig het einde van de wereld, waarin hij onvermijdelijk ook zelf verzwolgen wordt.

Harstad ensceneert geen Twilight of the Gods zoals Wagner, of een Twilight of the Idols zoals Nietzsche. Zijn verhaal is een Twilight of the Icons. Gespiegeld aan Nietzsches ideeën tonen Harstads personages hun slavenmoraal door hun ‘decadente’ antwoord op de onvrede en de zinloosheid. Ze zeggen geen volmondig ‘ja’ tegen het leven, zoals Nietzsche voorschreef. Ze ontkennen elke ‘wil tot leven’, elke ‘wil tot macht’, elk streven naar geldingsdrang als vrije helden van het alledaagse. Nee, Harstads figuren blijven onbeslist, raken verstrikt in morele dilemma’s of gaan simpelweg op de vlucht. Hun decadentie is hun onvermogen om het leven, ondanks alle lijden, te omarmen. In tijden waarin ambitie nochtans onbeperkt kan worden uitgeleefd, voert Harstad dus een nieuw soort mens ten tonele: de mens die zich ontreddderd terugtrekt in de schaduw, verlangend naar onzichtbaarheid – uit radeloosheid, uit angst voor de ontgoocheling, omdat wie het geluk heeft gevonden, het ook weer kwijt kan raken. Deze mens belichaamt bescheidenheid, door zijn scherpe besef van menselijke nietigheid.

Ook in Darlah gaan de personages op de vlucht, maar wel een radicaal andere richting uit. Ze geven de anonimiteit op in een gemediatiseerde maanexpeditie. Het is de prijs die ze betalen om zo ver mogelijk te kunnen vluchten en daarna een ander leven op te bouwen.

Escapisme is een constante bij Harstad, of het nu richting de Faeröer, Hässelby of de maan is. Vluchten lijkt een makkelijke oplossing voor wat er verkeerd loopt, een vorm van radicale vrijheid, maar blijkt toch principieel zinloos. De oneindige vrijheid van de ruimte wordt al snel herleid tot gehoorzaamheid tegenover de professionele astronauten en de claustrofobie van een krappe capsule. Bovendien leidt het tot een ontzettend treurig einde. In Darlah gaat de NASA kapot en wordt de mensheid bedreigd door een mysterieus fenomeen. In Buzz Aldrin bouwen de bewoners van het gesloten opvangtehuis een eenvoudige boot om de Atlantische oceaan over te steken, met hoogst onzekere afloop. En in Hässelby veroorzaakt Albert een Götterdämmerung: hij is in zijn solipsistische depressieve universum niet alleen een icoon, maar ook de ene god.

Die ‘iconendeemstering’ maakt van Harstad niet alleen een iconoclast, maar ook de schrijver met de hamer: hij slaat de iconen kapot, en in dezelfde beweging ook de illusie dat vluchten of ineengedoken niets doen een oplossing is. Dat escapisme van de nieuwe mens is volstrekt kansloos: wie op de wereld en het leven reageert met een verlangen naar onzichtbaarheid, gaat enkel voortijdig ten onder, en sleurt de wereld met zich mee.

Alternatief
Harstads fascinatie voor het Robinson-syndroom – wie als laatste op aarde overblijft, kan enkel vertrouwen op zichzelf en zijn talenten – stelt de inzet van zijn oeuvre op scherp: het worst case scenario is geen vaag luxeprobleem als langer werken, communautaire spanning of minimale collectieve verarming, maar wel het einde van alles.

Het begin van dat einde is precies het failliet van alles waar de sociaaldemocratie voor staat: zorg, solidariteit, sociale cohesie. Ondanks de beklemming van een astronautenpak, een spaceshuttle, een maanbasis, een kleine flat in Hässelby, een benepen flat en dito leven in Tokio, kijken mensen niet meer naar elkaar om. De dakloze in Central Park en de man uit Area 51 prediken in de woestijn. Niemand luistert, voortekenen worden genegeerd, iedereen bemoeit zich enkel met zijn eigen zaken en doet alsof er niets aan de hand is. ‘Het lijkt bijna wel of we zijn opgehouden om voor elkaar te zorgen, zijn opgehouden rekening met elkaar te houden’, stelt Harstad in zijn nawoord bij Hässelby. ‘Wij zijn bezig elkaar op te geven.’

Terwijl de mensen van elkaar niet merken dat ze verloren gaan, wordt iedereen wel in de gaten gehouden door een mysterieuze instantie. De missie in Darlah wordt gemonitord door Big Brother en unheimliche dubbelgangers, die heersen op de maan en perfect weten wie de astronauten zijn. In Hässelby is er het zwarte notitieboekje, ‘dik als een baksteen’, dat het hele doen en laten van Albert bevat, gedocumenteerd door een demon die hem jarenlang heeft geobserveerd. Bij Harstad is er steeds het onbehaaglijke gevoel dat iemand alles in het donker in de gaten houdt.

Als de mens niet meer voldoet aan de vereisten, maakt hij zichzelf overbodig en houdt het ras op. ‘Ondanks het feit dat het object van het begin af aan werd beschouwd als de beste mens van allemaal, is het niet mogelijk een andere conclusie te trekken dan dat hij, net als de andere observatieobjecten, één grote teleurstelling is geweest. Er is geen reden meer voor het in stand houden...’, schrijft Harstad in Hässelby. Toch blijft er in zijn oeuvre altijd hoop, want alles houdt pas echt op als je opgeeft. Harstad formuleert wel degelijk alternatieven voor niets doen en vluchten. Ze zijn opvallend basaal en bereikbaar: opnieuw voor elkaar zorgen, naar elkaar luisteren, het weefsel van de gemeenschap verstevigen, en de heroïek van het alledaagse.

Harstads krachtige werk, het beste dat Scandinavië de laatste jaren te bieden heeft, staat in het teken van de bekende woorden van Rilke: ‘Du musst dein Leben ändern’. Harstads relevantie en engagement schuilen in de testresultaten van zijn fictielabo. In een wereld waarin van de maatschappelijke ideologieën alleen nog maar de verhalen resten, waarin elk archimedisch punt voor zingeving ontbreekt en waarin van de liefde geen verlossing te verwachten valt, blijken verlangens naar onzichtbaarheid en escapisme niet alleen onproductief, maar ook ronduit gevaarlijk. Die wereld kunnen we benoemen: het is, onrustwekkend genoeg, de onze. Het moet anders, het moet beter, want het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.

Essay 'Het kansloze escapisme van Johan Harstad' gepubliceerd in rekto:verso
<http://www.rektoverso.be/nummers/928-zomerlijn-2011/1715-het-kansloze-escapisme-van-johan-harstad>

zondag 11 oktober 2009

hässelby. het demonteren is begonnen - johan harstad

‘Ze vermoorden ons een voor een, Albert. Vergeet dat niet,' zegt Bertil Åberg tegen zijn zoon Albert. Het is zomer 1986, amper enkele maanden na een pijnlijke breuk in de Zweedse geschiedenis: de moord op eerste minister Olof Palme op 28 februari 1986. Met Palme stierf de laatste architect van ‘Het Volkshuis', de Derde Weg tussen kapitalisme en communisme, een hoeksteen van de Zweedse sociaaldemocratie.

Bertil is verbitterd omdat zijn zoon Albert de Stockholmse voorstad Hässelby ontvlucht is om te ontkomen aan de verstikkende vader-zoonband.

Albert kocht een interrailticket naar Hamburg, belandde via een excentrieke zakenman in Hongkong, miste op de terugweg zijn vlucht vanuit Parijs en werd daar in een park stapelverliefd op de Duitse Leni. Hij beleefde er de tijd van zijn leven: een sprankelende liefde met de geur van alle zomers uit zijn kindertijd.

Hoe domweg gelukkig Albert ook was, op een dag laat hij Leni achter om terug te keren naar zijn vader. Hij gaat in Hässelby werken in een elektronicawinkel, en incarneert zo zijn hele generatie, met ‘te grote ideeën en te bescheiden talenten', die ‘in de schaduw van de verroeste zuilen van Het Volkshuis' uiteindelijk genoegen nam met wat er te krijgen was.

Wanneer zijn vader sterft, is Albert 42. Hij maakt de balans van zijn leven op. Het overlijden van zijn vader is het einde van een onleefbare afhankelijkheid — en dat voelt als een bevrijding. Daarmee eindigt het wervelende eerste deel van Hässelby, dat Harstad in één gulp neergepend lijkt te hebben. Hij is in topvorm: hij maakt scherpe analyses over de welvaartsstaat, schrijft gulzig over de liefde en Arthur Koestlers theorie over het toeval, ziet daar een kosmisch sturend principe in, en goochelt als een taalvaardige tovenaarsleerling met intertekstuele en culturele verwijzingen.

Demon

Dan volgt er een totale omslag. Albert is nu wel vrij, maar hij is al 42. Zijn bevrijding komt te laat, want nu hij vrij is, kan hij niet meer weg — hij heeft de plaats van zijn vader ingenomen. Aan het firmament verschijnt een zwarte zon; Albert sukkelt in een depressie. Zijn fascinatie voor Koestler slaat om in paranoia, die gevoed wordt door vreemde gebeurtenissen: er schijnt licht op onmogelijke plaatsen, personen duiken onverwacht op en verdwijnen al even onverklaarbaar en de wetten van de fysica worden uitgedaagd. Zijn de visioenen, soms letterlijk uit Twin Peaks, en warrige ijlsequenties depressieve wanen, of net symptomen van een kristalhelder en ‘dieper', onwerelds begrip?

Het besef van een verspild leven heeft nood aan een ander ritme en een andere toon: Harstad kiest voor een claustrofobische intensiteit. De sturende rol van het toeval, het onmiskenbare onbehagen en de krankzinnige, maar door zijn interne samenhang wel volstrekt geloofwaardige logica doen bijwijlen aan Haruki Murakami denken.

Harstad laat alles uitmonden in een apocalyptische finale waarin Albert letterlijk zijn demonen tegenkomt. Zijn leven is, in tegenstelling tot wat hij dacht, niet onopgemerkt voorbijgegaan. Hij is een observatieobject dat ‘de verwachtingen' niet heeft waargemaakt, en het dus niet verdient in stand te worden gehouden.

De persoonlijke nederlaag van Albert is belangrijk voor het Zweden na Het Volkshuis. De perfect gestroomlijnde maatschappij heeft cohorten waarnemers gecreëerd: niemand doet of zegt nog iets — men kijkt alleen maar toe. Hässelby gaat over de tragische ethiek van de waarnemer die alles teloor ziet gaan, maar zelf niets onderneemt. Zelfs niet als het einde van de wereld eraan komt.

In die wisselwerking tussen petite histoire en groot verhaal ligt de kracht van Johan Harstad. Het is een heksentoer die hij ook al uithaalde in zijn debuutroman Buzz Aldrin, waar ben je gebleven?, waarin hij trouwens ook zijn hoofdpersonage in de meest afgrondelijke eenzaamheid een depressie liet doormaken.

Opoffering

Hässelby is geschreven met de schaamteloze ambitie die eigen is aan beeldenstormers. Harstad etaleert een fascinerend fatalisme in een tijd waarin de grote verhalen hun kracht hebben verloren. Hij laat je na een wilde rit op een emotionele roetsjbaan volledig ontregeld achter.

Hij bezit ook de meedogenloosheid van de groten. Albert Åberg verwijst naar de hoofdpersoon van een populaire Zweedse kinderboekenreeks. Harstad heeft hem, tot afgrijzen van vele Zweden, volwassen laten worden en met alle zonden van de wereld beladen. Door Albert op te offeren, kan hij zelf verder leven. Dat opent schitterende perspectieven.

Johan Harstad / Hässelby. Het demonteren is begonnen / vertaling: Paula Stevens / Podium / 350p / recensie 'Scherp en gulzig' gepubliceerd in De Standaard der Letteren