Posts tonen met het label noorwegen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label noorwegen. Alle posts tonen

zondag 22 juni 2014

ambulance - johan harstad

‘Waarom geven sommige mensen het gewoon op?’ vraagt Harstad zich in het nawoord van Ambulance af. Dat ligt in de lijn van het nawoord bij zijn geweldige roman Hässelby uit 2009, waar hij vaststelde: ‘Het lijkt bijna wel of we zijn opgehouden om voor elkaar te zorgen, zijn opgehouden rekening met elkaar te houden. Wij zijn bezig elkaar op te geven.’
De verhalen raken elkaar: hoofdpersonages uit het ene verhaal komen terug als nevenpersonages in andere, personages kijken naar dezelfde tv-programma’s en horen of zien dezelfde ambulance. Alle verhalen draaien rond eenzaamheid. Het is een sjabloon bij Harstads personages: ze hebben een vrij onbezorgde jeugd, beseffen dat hun leven volstrekt zinloos is, verzeilen in een depressie en proberen dan, eventueel, voorzichtig de ruïnes van hun leven te stutten. Die laatste fase is voor Harstad het bepalende moment: sommigen geven het op, anderen niet.
De vrouw die zichzelf in plastic heeft gewikkeld als verzegeling voor ze stikte (in het hartverscheurende verhaal ‘112’) heeft het al opgegeven, net als de man die, nadat hij zijn eigen kantoorgebouw heeft opgeblazen, onder het puin zijn gsm-batterij gebruikt om Snake te spelen in plaats van hulp te vragen (in het surrealistische ‘Nokia’). Maar de psycholoog die ’s avonds praat met de virtuele psychologe Eliza en niemand heeft om een valentijnskaart naar te versturen (in het treurige ‘Vietnam’), en de jongen die zijn zwemdiploma moet halen om naar dezelfde school te kunnen gaan als zijn anorectische vriendinnetje (in het mooie ‘Chloor’), die houden het nog even vol. Het anorectische meisje twijfelt nog: door niet meer te eten, is ze bezig te verdwijnen, maar de jongen houdt haar nog vast.
Rustig ademhalen
Het leven is niet gemakkelijk in Harstads universum. Om te beginnen biedt de liefde nauwelijks verlossing: wie nog niet verlaten is door zijn geliefde, kan dat binnenkort verwachten. Elk moment kan het wegglijden beginnen, kun je onzichtbaar worden voor de ogen van de andere. De student uit ‘Ik ga naar huis’ wil het liefste dat er nooit iets verandert, omdat anders het onvermijdelijke zal gebeuren. Bovendien tikt de tijd onstopbaar verder. De jongen die graven delft in zijn geboorteplaats, ziet een oude vriendin terug voor ze naar Tokio vertrekt voor een job. Hij beseft dat het te laat is, dat er geen tijd meer is, ook al zou hij eigenlijk niets liever willen dan meegaan (‘We blijven rock-’n-roll spelen, maar we gaan wel dood’). Harstad schrijft over dingen die niet noodzakelijk precies benoemd kunnen worden, maar wel ergens onderweg verloren zijn gegaan.
Harstad extrapoleert die problematiek naar de maatschappij, die geen echt antwoord biedt op fundamentele menselijke behoeftes als zorg, solidariteit en sociale cohesie. Het gevolg is dat mensen zich ontredderd terugtrekken in de schaduw van het leven, en verlangen naar onzichtbaarheid. Hoewel escapisme een constante is bij Harstad – naar de Faeröer in Buzz Aldrin, een Stockholmse voorstad in Hässelby, de maan in Darlah, Tokio of Stavanger in Ambulance – blijkt vluchten principieel zinloos. Er is maar één oplossing: ‘Het is gewoon een kwestie van volhouden. Je reddingsvest aantrekken, je drijvende houden, bij wijze van spreken. Rustig ademhalen. Het vliegtuig verlaten’.
Praatpleinen
Ambulance is geen vrolijk boek, maar is nergens volstrekt uitzichtloos. Niet toevallig sluit Harstad de bundel af met een prachtig verhaal over een weduwnaar die vanuit een luchtballon foto’s van hem met zijn overleden vrouw over Stavanger uitstrooit, vervolgens alle ballast overboord gooit en dan gewoon verder opstijgt, naar de hemel (‘Op weg’). Ook dat is Harstad ten voeten uit: altijd is er nog hoop, want alles houdt pas echt op als je opgeeft. En de alternatieven die hij aanreikt, zijn erg bereikbaar: voor elkaar zorgen, met elkaar praten en naar elkaar luisteren, het weefsel van de gemeenschap verstevigen, de heroïek van het alledaagse verkennen.
Het klinkt wollig, maar dat is het nooit – integendeel. Harstad gelooft dat hij lezers tot inzicht en actie kan brengen met woorden, door steeds op dezelfde nagel te kloppen. Maar het zou niet verbazen mocht hij, in navolging van een initiatief als de ‘geefpleinen’ van Jeroen Olyslaegers, ooit met ‘zorgpleinen’ of ‘praatpleinen’ pionieren.
‘Van alle boeken die ik tot nu toe heb geschreven, is dit het minst geredigeerd’, schrijft Harstad in zijn nawoord. Soms had dat nochtans geen kwaad gekund, want niet elk verhaal is even sterk uitgewerkt. Maar de innerlijke noodzaak primeerde. En het is indrukwekkend om te zien hoe de piepjonge Harstad hier al zijn pulserend, vitalistisch proza schrijft met lange zinnen vol komma’s, al is de techniek nog niet helemaal verfijnd. Het relevante, begeesterende, hartverscheurende en ontroerende, de verwijzingen naar de popcultuur, de soms surrealistische wendingen, de verwevenheid met grote maatschappelijke verhalen, het vermogen om lezers een verhaal binnen te trekken en niet meer los te maken: alle kiemen van Harstads schrijverschap zijn hier al, vaak opvallend matuur, aanwezig.
Perfect is Ambulance niet. Maar het is wel een sterke bundel korte verhalen, en het markeert passend de geboorte van een kolossaal, onstuimig talent. Daar kunnen vele anderen alleen maar van dromen.
Johan Harstad / Ambulance / vertaling: Paula Stevens / Podium / 199p / gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 16/05/2014

maandag 18 november 2013

nacht - karl ove knausgård

Amper enkele pagina’s ver in Nacht, het vierde deel van de zesdelige romancyclus Mijn strijd van Karl Ove Knausgård, krijgt het hoofdpersonage, de achttienjarige Karl Ove Knausgård, na een vluchtige blik van een mooi, blond meisje van een jaar of zestien, een erectie op de bus. Karl Ove zit links, op de op een na achterste plaats, naar het indrukwekkend desolate landschap te kijken, en het meisje zit schuin aan de andere kant van het middenpad. Maar Karl Ove stapt af in Håfjord, het meisje blijft zitten, en dat is dat.
De passage doet denken aan het fascinerende dagboek van de voormalige Engelse radioproducer Karl Pilkington, waar Ricky Gervais in een podcast fragmenten uit voorlas. Gervais hoopte op een nieuwe Samuel Pepys, maar kreeg vooral weinigzeggende notities over willekeurige voorbijgangers, Pilkingtons onvermogen tot romantiek, zijn nutteloze dagen en knettergekke uitvindingen te lezen. ‘Echt alles staat in het dagboek’, lachte Gervais. ‘Ik kijk uit naar het moment dat je schrijft: ingeademd, weer uitgeademd.’
Die vergelijking is oneerlijk en zelfs vilein ten opzichte van Knausgård, want het meisje speelt verder nog een kleine rol in het verhaal, Mijn strijdis geen komisch project en Knausgård is een verschrikkelijk getalenteerd schrijver, maar ze illustreert wel de strekking van Nacht, dat volledig in het verlengde ligt van Zoon, het derde deel: de schrijver wijdt tot in de kleinste details uit over zijn jeugd, wisselt relevante en noodzakelijke anekdotes af met veel mindere, en schaamt zich niet.
Na respectievelijk zijn vader, zijn huwelijk en zijn kindertijd behandelt Knausgård in Nacht zijn vormingsjaren tussen zestien en negentien jaar. Het zwaartepunt is het schooljaar dat hij, pas afgestudeerd op de middelbare school, naar het afgelegen Noord-Noorse Håfjord trekt om daar een jaar les te geven.
Projecties
Zijn droom blijft: debuteren als schrijver, in een grote stad wonen, schrijven, drinken, leven, en ‘een mooie, slanke, atletische vriendin hebben met donkere ogen en grote borsten’. Na de uren schrijft hij aan verhalen die later hun weg vinden naar zijn onvertaalde debuut en naar Engelen vallen langzaam. Omdat alcohol hem ‘een sterk gevoel van vrijheid en geluk’ geeft, drinkt hij zich geregeld een slag in de rondte. Alleen met de vrouwen worstelt hij.
Knausgård doet er ook na die vroege erectiescène verder niet flauw over: het zijn de jaren van zijn geilheid. Voortdurend is hij op zoek naar een meisje dat hem wil ontmaagden. Dat de meisjes (ruim) minderjarig zijn of in zijn klas in Håfjord zitten, is geen onoverkomelijk probleem, al beseft hij dat hij het risico loopt gek te worden of in de gevangenis te belanden terwijl hij kijkt naar ‘het slanke, vaste achterste, zo volkomen perfect gevormd’ van een leerlinge. Dat hij de koning van de vroegtijdige zaadlozing is, beperkt hem veel meer in zijn queeste.
Knausgård twijfelt in Nacht voor het eerst aan het waarheidsgehalte van wat hij vertelt. Sommige herinneringen zouden wel eens projecties kunnen zijn uit dromen of romans, om zichzelf op die manier centraal te kunnen stellen in het verhaal. Waar een bepaalde graad van emotioneel (en seksueel) exhibitionisme in de eerste delen van Mijn strijd een nevenproduct was, een prijs die Knausgård moest betalen voor zijn literair project, lijkt dat in Nacht voor het eerst een doel, een bewuste constructie. Er zijn opvallende parallellen te trekken met het vorig jaar verschenenWinterlogboek van Paul Auster, dat evenzeer vol onbelangrijke details stond en een bepaald gênante constructie over het eigen lichaam was. Het verschil: waar Auster zijn seksuele verleden verheerlijkt, schrijft Knausgård zichzelf sardonisch de grond in.
Zinloos
Het past voor Knausgård in zijn ambitie om een groot schrijver te worden, om de wereld wat te laten zien. En die alomtegenwoordige ambitie is, samen met zijn vitalistische appetijt in het leven, zijn besluit om, in het volle besef van de zinloosheid van alles, vooral de beker van het zinloze tot op de bodem te ledigen, het interessantste aspect van Nacht.
Nacht is beter dan Zoon, het vorige deel, omdat Knausgård een (intellectueel) interessantere leeftijd heeft, maar minder interessant danVader en Liefde, omdat zijn reikwijdte beperkter is, zijn onnavolgbare essayistische uitwijdingen nagenoeg ontbreken en het nieuwe er intussen ook wel een beetje van af is. Nacht is als Vrijheid van Franzen en 1Q84van Murakami: een prima geschreven, bovengemiddeld entertainend verhaal van een superieure schrijver dat weliswaar schijnbaar eindeloos kan doorgaan, maar waaruit helaas, vooral aan lezerszijde, de urgentie stelselmatig verder verdampt.

Karl Ove Knausgård / Nacht / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 478p / gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 18/10/2013

donderdag 15 augustus 2013

dierbaar - linn ullmann

Het epicentrum van Dierbaar, de vijfde roman van de Noorse schrijfster Linn Ulmann, is het feest dat Jon en Siri Dreyer geven voor de 75ste verjaardag van Siri’s moeder Jenny. Jon is een succesvolle schrijver met een writer’s block die het derde deel van zijn trilogie maar niet geschreven krijgt. Siri heeft een restaurant in een oude bakkerij. Jenny baatte vroeger een boekhandel uit en woont, sinds haar man vertrokken is, samen met Irma. Nadat ze meer dan twintig jaar geen druppel heeft gedronken, is Jenny net voor het feest uit balorigheid weer aan de rode wijn gegaan.
Het feest is een maskerade, een dun laagje vernis over een disfunctionele familie. Jenny wilde om te beginnen al geen feest. Haar relatie met Siri is een beetje vertroebeld, net als die van Siri met haar lastige tienerdochter Alma. Jon gaat gretig vreemd, op zoek naar iets wat hij niet vinden, laat staan benoemen kan. Vroeger waren Siri en Jon nochtans gelukkig samen. Maar ooit, ergens, moeten ze niet goed hebben opgelet, en plots begon alles uit elkaar te vallen. Alsof dat allemaal nog niet ingewikkeld genoeg is, hangen er nog twee andere grote schaduwen over het feest, en bij uitbreiding ook over hun leven: de tragische dood van Siri’s broer, als kleuter, en de onrustwekkende verdwijning van Mille, Jon en Siri’s au pair. Ullmann vertelt vooral wat er voor en na het feest gebeurt.

Onnadrukkelijke humor
Ullmann heeft van haar vader, de grote Zweedse regisseur Ingmar Bergman, niet alleen een voorliefde voor zware thema’s geërfd, maar ook een affiniteit met disfunctionele gezinnen. Bergman had een turbulent liefdesleven, en zag acht kinderen geboren worden uit vijf huwelijken. Parallel had hij ook nog langdurige liefdesrelaties met zijn actrices Harriet Andersson, Bibi Andersson en Liv Ullmann. Uit de relatie met die laatste, zijn Noorse muze, werd in 1966 Linn geboren, zijn negende en laatste kind. Vier jaar later was de affaire tussen Bergman en Ullmann alweer voorbij.
Ondanks de ernstige thema’s heeft Ullmann nauwelijks iets van Bergmans kenmerkende toon. Dierbaar gaat over verlies en rouw, over verlangen naar wat niet is en nooit meer kan zijn, over verraad, vervreemding en verantwoordelijkheid, maar Ullmann heeft gekozen voor de weg van het licht. Haar universum is niet doordesemd van schuld en boete, sterfelijkheid en existentiële twijfel. Er is mededogen, warmte, hoop, en er valt al eens te glimlachen. Ullmann heeft gevoel voor humor, op een onnadrukkelijke manier.
Net als in Een gezegend kind (2008), haar bekendste boek, toont Ullmann zich in Dierbaar een bijzonder vaardig schrijfster. Ze bouwt de roman niet chronologisch op, zodat al meteen in grote lijnen duidelijk is hoe het afloopt. Toch weet ze zonder problemen een spanningsboog te creëren.

Brokstukken en splinters
Door haar verhaal vanuit verschillende hoeken tegen het licht te houden, creëert ze een mooi prisma-effect. In die aanpak is onzekerheid essentieel. Ullmann duwt geen allesdoordringende levensvisie of moreel standpunt naar voren en zit niet gevangen in het beklemmende korset van een literair programma. Ullmann aarzelt, bekijkt alles nog eens op een andere manier, suggereert nog iets anders, en beseft dat een nieuwe herinnering of terugblik alles weer verandert. Met elk stukje waarheid dat naar boven komt, verandert de grotere waarheid. Want Jon was misschien wel erg close met Mille. En Siri stond te kijken aan de rand van het ven toen haar kleine broertje verdronk. Jenny heeft na haar zoon ook nog haar man verloren.
Ullmann is empathisch en liefdevol, maar nooit sentimenteel. Haar meerstemmige analyse van de pijn, het verlies en de zwakheid van de mens aan de hand van het leven van één kleine familie snijdt diep, ondanks haar bijna achteloos elegante proza. In de handen van een mindere schrijver was Dierbaar wellicht een tranendal geworden, of misschien een spannende speurtocht naar de motieven voor en de schuldigen van de verdwijning van Mille, maar daar gaat het Ullmann niet om. Ze laat zien hoe mensen met brokstukken en splinters de ruïnes van hun leven proberen te stutten en altijd wel iets vinden: perspectief, op vergeving. En misschien, wie weet, zelfs een toekomst.


Linn Ullmann / Dierbaar / vertaling: Lucy Pijttersen / De Bezige Bij / 299p / gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 14 juni 2013


zoon - karl ove knausgård

Knausgård is de laatste tijd niet weg te denken uit de literaire actualiteit, en dat blijft nog wel even zo. Na het unieke Engelen vallen langzaam begon hij aan de romancyclus Mijn strijd . Nadat de sterauteur in Vader had geschreven over de traumatiserende dood van zijn vader en in Liefde over zijn getroebleerde gezinsleven, behandelt hij in Zoon zijn kindertijd.
Vanaf de eerste pagina is dit boek vintage Mijn strijd : het eigen leven als onderwerp, een bijna obsessieve documentatiedrang en geregeld een essayistische uitwijding. Hij beschrijft, in groter detail dan noodzakelijk is, hoe zijn vader, moeder, broer en hijzelf als baby van acht maanden in de zomer van 1969 vanuit Oslo aankomen in een nieuwbouwwijk op het Zuid-Noorse eiland Tromøya. Hij lardeert die episode met zijn visie op de Noorse maatschappij-opbouw na de Tweede Wereldoorlog. Als eerste generatie moesten zijn ouders hun leven zien te ordenen tijdens de grootscheepse centralisatiebeweging van de overheid.

Angst
‘Ik hoef alleen maar in gedachten de deur open te doen en naar buiten te stappen en de beelden stromen me al tegemoet', schrijft Knausgård. Voor zijn zesde heeft hij alles alleen van horen zeggen, maar daarna komen zijn herinneringen in gulpen naar buiten: zijn angsten en weinige vrienden, zijn kwajongensstreken en scabreuze avonturen, zijn christelijke inspiratie, zijn liefde voor The Beatles en voetbal, zijn punkgroepje Bloedprop, zijn groeiende verlangen naar meisjes. Naar goede gewoonte ontziet hij zichzelf allerminst: ‘Mijn hele wezen, mijn preoccupatie met kleren, mijn lange wimpers en mijn zachte wangen, mijn betweterige gedrag en slecht verholen goede schoolprestaties waren in principe reden genoeg voor een prepuberale ramp.'
Daarbij komt nog een zware slagschaduw. In Vader was de slechte relatie van vader Knausgård met zijn twee zonen al toegelicht, maar hier wordt alles pijnlijk uitvoerig geduid: diens onbegrip, woede, kilheid, talent voor vernedering en fysieke aanwezigheid vervullen de kleine Karl Ove van angst. Meer zelfs, hij haatte hem. ‘Ik kon me met geen mogelijkheid op hem wreken. Behalve in mijn gedachten en in mijn fantasie, die zo geprezen werd, daar kon ik hem kapotmaken', schrijft hij. Om te ontsnappen, fantaseert hij over de dood. Zijn moeder redt hem: ‘Als zij er niet geweest was, dan was ik alleen met papa opgegroeid, en dan zou ik mezelf vroeger of later op de een of andere manier om zeep gebracht hebben.'
De sleutelvraag van Zoon is waarom Knausgård zo diep blijft ingaan op zijn verleden. Hij gelooft dat hij, als hij maar diep genoeg in zichzelf woelt, universele waarheden zal vinden. Daarin is Knausgård onvermoeibaar, in die mate dat het hem onmogelijk lijkt om dingen weg te laten – de boerderij van zijn grootouders, bijvoorbeeld, beschrijft hij absurd gedetailleerd. Door de alledaagsheid zo radicaal door te trekken, verheft Knausgård ze tot de kwintessens. Eerlijkheid is daarbij van groot belang – of beter: eerlijkheid als intentie, want hij beseft als geen ander dat voor het geheugen niet de waarheid het hoogste goed is, maar het eigenbelang.
Toch is, op de haat voor zijn vader na, het overheersende gevoel in Zoon niet die kenmerkende mengeling van verdriet, ergernis en woede. Het boek is doordesemd van geluk, verwondering en verlangen. De jonge Knausgård groet 's morgens de dingen, en ontdekt altijd wel iets nieuws. De schrijver vat meesterlijk de schijnbare eindeloosheid van het alledaagse, zo eigen aan de kindertijd.
Knausgård is een auteur voor wie het onderwerp niet zo belangrijk is: hij fascineert bijna altijd, ondanks het gebrek aan spanning, humor en sensatie. Zijn radicale programma, de vernieuwing van de literatuur en het einde van de fictie, blijft moeiteloos overeind, op een manier die na al die honderden pagina's nog steeds moeilijk te verklaren valt. Hij blijft verder zoeken naar een nieuwe vorm voor een ambitieuze nieuwe taal: een versmelting van plotloze fictie en gereconstrueerde non-fictie. Zoon is prachtig, maar Knausgård heeft ons verwend gemaakt, en Vader en Liefdezijn gewoon beter.


Karl Ove Knausgård / Zoon / vertaling: Paula Stevens / De Geus / 443p / gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 22 maart 2013


zaterdag 15 september 2012

liefde - karl ove knausgård


Toen de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård een manier zocht om over zijn vader te schrijven, vond hij die in de autobiografie. Na de 445 pagina's van Vader (DSL, 16/12/2011), met als climax diens dood, bleef Knausgård als bezeten verder schrijven. Er volgden nog vijf delen, die hij met een provocerende verwijzing naar Adolf Hitler bundelde in de romancyclus Mijn strijd (in het Noors: Min kamp). Het werd in Noorwegen een nooit geziene bestseller, die maandenlang de publieke opinie beroerde: Knausgård voert familie en vrienden onder hun echte naam op en verbloemt niets. Het tweede deel is nu vertaald als Liefde.

De mijlpalen in Liefde laten zich makkelijk samenvatten: Knausgård breekt zijn relatie af, verhuist van Bergen naar Stockholm, ontmoet zijn vriend Geir, wordt verliefd op Linda, krijgt kinderen en relatieproblemen, en verhuist naar Malmö. Hij wil schrijven, maar de alledaagsheid van het leven zit in de weg. Meer verhaallijn is er nauwelijks. Wat maakt Liefde dan toch zo verslavend?

Charlie Chaplin
Om te beginnen is er de elegante verhaalstructuur, die herinnert aan Proust, wiens graf Knausgård in Liefde bezoekt. Het boek is opgebouwd aan de hand van herinneringen die niet chronologisch, maar associatief geordend zijn. Hij ervaart zijn herinneringen niet zozeer ‘in de vorm van concrete gebeurtenissen, meer van stemmingen, geuren, gewaarwordingen'. Die structuur leent zich prima voor zijn weifelende zoektocht naar een bestemming in het leven, zowel geografisch (Zweden) en fysiek (Linda) als mentaal (schrijven). Als hij beweert dat amper twee factoren zijn leven bepalen, ‘mijn vader en dat ik nooit ergens thuis had gehoord', dan gaat Liefde over de tweede, Vader over de eerste factor.

Daarnaast gebruikt Knausgård de herinneringen vooral als aanknopingspunten voor een stroom aan erudiete cultuurfilosofische beschouwingen, zoals hoe de 17de eeuw de spil is van de westerse geschiedenis, hoe Kiefer in zijn schilderijen de wereld vat in enkele bomen, hoe Chaplin in zijn films kiemen van hoop voor de mensheid zaait. Het past allemaal in Knausgårds intellectuele zoektocht naar patronen in het leven, naar houvast. Zijn reikwijdte is ongeëvenaard in de hedendaagse literatuur.

Bovendien probeert hij inzicht te krijgen in de spanning tussen leven en literatuur. Waarom laat hij na de geboorte van zijn kind zijn gezin vallen om in een manische bui te schrijven aan wat zijn doorbraakroman Engelen vallen langzaam zal worden?

Het antwoord is ontluisterend: voor Knausgård heeft het leven hier en nu geen waarde. Altijd verlangt hij naar iets anders, naar het wezenlijke, de ‘kern van het menselijke bestaan'. Door te schrijven, kan hij daarnaar op zoek gaan. Het geeft zijn leven zin en bedwelmt hem, maar het heeft een zware prijs: hij plaatst de literatuur boven het leven. Hoe groot zijn liefde voor Linda en zijn kinderen ook is. Die radicale eerlijkheid en ernst zijn heroïsch. Voor ironie is overigens geen plaats in Liefde – een verademing in de overvloed van tragikomische Scandinavische romans.

Pervers genoegen
Ten slotte is er ook nog het sensationele schrijftalent van Knausgård. Zijn stijl is onweerstaanbaar, zelfs in passages over onbenulligheden als kreeft bereiden, de buggy duwen en hardlopen. Bovenal is hij een meester van de ontroering. ‘Jij kunt mensen zover krijgen dat ze met tranen in de ogen twintig pagina's over een bezoek aan de wc lezen', laat hij zijn vriend Geir zeggen. ‘Puur en alleen een kwestie van techniek', antwoordt hij.

Dat Liefde wel literatuur is, maar geen fictie, is allesbehalve toeval. Knausgård beschrijft hoe hij zich realiseerde dat wat verzonnen is, eigenlijk geen waarde heeft. Zijn alternatief is: ‘Dagboeken en essays, datgene in de literatuur wat niet om een verhaal ging, niet over iets ging, maar slechts uit een stem bestond, de stem van de eigen persoonlijkheid, een leven, een gezicht, een blik die je kon ontmoeten.' Knausgårds stem en blik hypnotiseren van de eerste pagina tot de laatsteHij heeft zichzelf in Liefde nietsontziend uitgeschreven, hij heeft van zijn leven een kunstwerk gemaakt, in een krankzinnig, maar fantastisch literair project. Om Liefde te lezen, hebt u Vader niet eens nodig. Laat u ook niet afschrikken door die 686 bladzijden. Die overvloed geeft een bijna pervers genoegen: in een tijd waarin niemand nog tijd heeft om te lezen, is het een kostbare luxe te kunnen zwelgen in schier eindeloze, superieur geschreven pagina's. En daarna? Dan is het wachten op deel drie.

Karl Ove Knausgård / Liefde / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 686p / gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 7 september 2012

zaterdag 24 december 2011

vader - karl ove knausgård

In het autobiografische en pijnlijk eerlijke Vader probeert de Noor Karl Ove Knausgård de dood van zijn vader te verwerken. De schrijver klokt af op een kloeke 445 pagina's. Het is daarmee een van de dunste boeken van zijn zes delen en 3.400 pagina's tellende romancyclus Mijn strijd. Hoofdonderwerp: het leven van de schrijver en de dood van zijn vader. Het leven dat het boek beschrijft is bijna doordeweeks, maar het relaas bepaald ambitieus en verslavend.
'Ik herinnerde me nauwelijks gebeurtenissen uit die tijd. De omgeving waarin ze plaatshadden, herinnerde ik me wel. Alle plekken waar ik was geweest, alle vertrekken waarin ik me had opgehouden, herinnerde ik me. Maar niet wat er was gebeurd', schrijft Knausgård. Hij kanaliseert zijn niet-aflatende stroom herinneringen via intuïtie en associatie.

Tussen de praktische vereisten van een leven met een zwangere vrouw en kleine kinderen door, probeert Knausgård te schrijven, maar hij is rusteloos. Geregeld onderbreekt hij zijn herinneringen voor uitweidingen over wat er toe doet: drank, dood, schoonheid, het goede vaderschap, kunst, taal, muziek, schrijven en, natuurlijk, meisjes.

In de tweede helft van het boek reizen Knausgård en zijn broer naar hun oma in Kristiansand, voor de begrafenis van hun vader. Knausgård beschrijft gedetailleerd en rauw zijn gevoelens. Hij huilt veel, maar lijkt niets te verwerken. Het huis blijkt een onleefbaar stort vol lege flessen en hun oma is incontinent, maar ze ruimen alles op. Het is een prima metafoor voor Knausgårds existentiële zoektocht. Want ondanks de monumentale dimensies van zijn proza zit er spaarzaamheid in, en beoogt hij er niet minder dan de essentie van het leven mee. Daarvoor moet hij mentaal puin ruimen, in omzwervingen die soms richtingloos lijken, maar dat nooit zijn.

Knausgårds unieke observatievermogen, brede blik en hypnotiserende vertelkracht geven zijn hoogstpersoonlijke verwerkingsproces een universele waarde. Vader is een mijlpaal in de autobiografische fictie, het werk van een fantastisch schrijver.
 
Karl Ove Knausgård / Vader / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 445p / recensie gepubliceerd in De Standaard der Letteren van 16/12/2011

'Ik ben een stripfiguur in mijn eigen leven' - interview met Karl Ove Knausgård

Karl Ove Knausgård schreef een autobiografische romancyclus van 3.400 bladzijden, Min Kamp. Het eerste deel, Vader, werd onlangs in het Nederlands vertaald. Een gesprek met de controversiële Noor over outsiders, de kracht van de literatuur en nietsontziende eerlijkheid.

Karl Ove Knausgård (1968) is de koning van de onwaarschijnlijke bestseller. In 2004 was zijn op het eerste gezicht onverkoopbare theologische roman over engelen, Kaïn en Abel en Noach een bescheiden hype. De veeleisende, maar overdonderende roman werd vorig jaar in het Nederlands vertaald als Engelen vallen langzaam (DSL 26/11/2010).
Na vijf jaar stilte publiceerde Knausgård het eerste boek van een romancyclus met de uitdagende titel Min Kamp (Mijn strijd). Het won de prestigieuze Brageprijs en de Noorse minister van Cultuur, Anniken Huitfeldt, noemde het 'het beste verhaal over onze generatie'. Wat volgde, was een naar Noorse normen ongeziene literaire sensatie: honderdduizenden verkochte exemplaren en gevallen van milde hysterie waar de schrijver opdook. Dat eerste boek uit de cyclus is nu vertaald als Vader.
Tijdens het interview is de schuchtere Knausgård ontspannen. De dag erna wordt in Noorwegen het zesde en laatste boek van Mijn strijd gepubliceerd, maar hij hoeft er niet bij te zijn.Onvermijdelijk zou dat weer heisa veroorzaken, want het onderwerp van zijn romancyclus is controversieel: Karl Ove Knausgård zelf.
Familieleden en vrienden zijn allerminst geamuseerd door wat ze in uw autobiografisch werk als een schending van hun privacy beschouwen.
'Ik ben blij dat ik deze boeken heb geschreven, maar ik ben niet blij dat ik een stripfiguur ben geworden in mijn eigen leven. Ik zag dit niet aankomen. Ik beschouwde het als een experiment in realistisch proza, en dacht dat niemand geïnteresseerd zou zijn, zelfs mijn uitgever niet, omdat het zo privé is.'
'Ik hield er niet van om over mezelf te schrijven. Elke dag is een strijd geweest, maar ik denk dat er iets interessants in zit, iets dat te maken heeft met de grens tussen literatuur en leven. Ik zou het dus opnieuw doen, maar dan het liefst zonder de roem. Dat zou beter zijn.'
'Vader' gaat vooral over uw vervreemding van uw vader, die met een alcoholprobleem worstelde. Was zijn dood de ultieme aanleiding voor het boek?
'Ja. Daar wilde ik over schrijven. Niet zozeer over de dood zelf, maar over zijn dood. De collectieve verdringing van de dood door de maatschappij, waar ik ook over schrijf, is veeleer een metafoor voor andere dingen waar we niet over spreken. Dat onderdrukkingsmechanisme interesseert me. Iedereen heeft wel een alcoholicus in de familie. De ziektes, de schaamte: het bestaat overal. Alleen, er bestaat in de maatschappij geen manier om daar open over te zijn. In een roman kan dat wel.'
Het autobiografische 'Vader' lijkt niet voortgekomen uit een gebrek aan inspiratie, maar veeleer omdat u iets uit de weg wilde hebben om daarna verder te kunnen.
'De reden dat ik het niet als fictie schreef, is dat het niet werkte. Ik probeerde een verhaal over mijn vader te schrijven, drie of vier jaar na zijn dood, maar het lukte niet. Vervolgens schreef ik wat over mezelf, kleine stukjes, en zo begon het project, op een heel kleine schaal.'
 


Constructie van het zelf
Knausgårds bezwerende poging om via literatuur tot de kern van het leven door te dringen, vereiste een nietsontziende eerlijkheid. Vader is dan ook pijnlijk intiem. Als zijn vrouw hoogzwanger is, geeft hij toe dat hem dat niet bezighoudt. Na de dood van zijn vader legt hij uit hoe hij zijn onderbewustzijn probeert te manipuleren om hem zich alsnog positief te kunnen herinneren.
Kan het succes van het boek te maken hebben met de door sociale media gedomineerde tijdsgeest, waarin iedereen via 'status updates' de details van zijn leven prijsgeeft?
'Het boek en de sociale media hebben allebei te maken met de constructie van het zelf. Maar het succes van Mijn strijd heeft vooral te maken met herkenning, denk ik. Ik krijg brieven van uiteenlopende mensen die me hun eigen verhalen vertellen. Als je echt eerlijk probeert te zijn, voelen mensen zich daarmee verbonden. Bovendien is het hele project natuurlijk sensationeel.'
Helpt het succes u om de moeilijke balans te vinden tussen gezond zelfvertrouwen en nietsontziende zelfkritiek, waarover u in uw boek schrijft?
'Ik ben niet meer zo verlegen als vroeger bij journalisten of op een podium, maar in mijn privéleven is alles nog hetzelfde. Ik ben nog steeds hongerig naar appreciatie, maar die honger is onmogelijk te stillen. Hoe goed of hoe slecht het ook is: ik weet wat dit boek waard is. Ik probeerde zo snel te schrijven als ik kon om van mijn zelfkritiek weg te geraken. Daarin ben ik geslaagd, denk ik. Het resultaat lijkt behoorlijk, maar dat kon me niets schelen. Wat is uiteindelijk goede literatuur? Het is niet: goede zinnen. Het is iets anders. Lawrence Durrell (schrijver van 'The Alexandria quartet', red.) zei over schrijven: “Je moet jezelf een doel stellen, en dan ga je daarheen in je slaap". Ik denk dat het zo is.'
'Vader' is ook een affirmatie van de kracht van literatuur, de bevestiging dat elk leven waarde en belang kan krijgen.
'Dat is waar Mijn strijd om draait. Vaak dacht ik: dit is te klein, dit is te onbeduidend. Maar op hetzelfde moment weet ik ook: dit is ons leven.'
En waarover zou literatuur anders moeten over gaan dan over het leven?
'Dit boek is niet het verhaal van mijn leven, maar van een existentiële zoektocht naar betekenis. Wie in die richting gaat, passeert religie, mystiek, alles dat buiten de taal ligt. Dat ik daar in literatuur kan naar zoeken, is een van de redenen waarom ik schrijf.'
U schrijft uitvoerig over kunst in essayistische uitweidingen. In schilderijen zoekt u zuiverheid, schoonheid, oneindigheid. Geldt dat ook voor literatuur?
'Nee, literatuur en plastische kunst zijn verschillende dingen. Ik beschouw mezelf als een intuïtief schrijver. Mijn intuïtie leidt me ergens heen, en dan begint het analytische gedeelte. Ik zie geen letters, alleen beelden. Ik denk dat ik daarom zo naar schilderijen wordt getrokken, vooral naar existentiële schilders als Anselm Kiefer, Gerhard Richter, en de enigmatische, schizofrene Lars Hertevig.'
 


Hitler en Breivik
Vader is veel meer dan een hyperrealistisch, autobiografisch project. Knausgård beschouwt het schrijven als een manier om zijn verlangen naar beheersing te stillen. Maar de bevrediging van dat verlangen betekent meteen ook het einde van de literatuur, want ze impliceert dat de toekomst niet bestaat. Zonder toekomst geen utopie of literatuur, die altijd nauw met de utopie verbonden is geweest.
Wat u probeert te doen, is 'fictie met fictie bestrijden' om de utopie te vrijwaren. Het deed me denken aan Anders Breivik.
'Ik heb daarover geschreven in het laatste boek van Mijn strijd, in een essay van vierhonderd pagina's. Omdat ik de naam van mijn vader niet mocht gebruiken in Vader, raakte ik gefascineerd door de kracht van namen. Via Paul Celan, die in zijn laatste gedichten geen namen meer gebruikt, ga ik naar Hitlers Mein Kampf en Breiviks manifest. De opvallendste overeenkomst tussen die twee teksten is dat er geen “jij" is, alleen “ik", “wij" en “zij". Terwijl tussen het zelf en een “jij" net de ruimte ligt voor de roman.'
'Op het eiland Utøya zei iemand tegen Breivik: “Je mag me niet vermoorden". Dat was een jij, een gezicht, ogen. Hij overleefde. Dat heeft te maken met taal, hoe de maatschappij taalkundig is gestructureerd en wat het betekent om buiten de maatschappij te staan. Breivik stond erbuiten en werd dus niet gecontroleerd en gecorrigeerd. Ook de schrijver draait zich weg van de maatschappij. Dat interesseert me heel erg.'
Omdat Breivik zichzelf zag als utopisch schepper?
'Inderdaad, net als Hitler. God zei tegen Abel: “Waarom kijk je naar beneden? De zonde zal je bekruipen, en bovendien zie je dan de ander niet,. Maar Abel richt zich niet op en wordt door Kaïn vermoord. Dat zegt iets over wat het betekent binnen of buiten de maatschappij te staan, wat het is om jezelf te zijn. Daar gaat ook Mijn strijd over. De grenzen van de maatschappij zijn erg duidelijk - ik voel het in mijn lichaam als ik ze overschrijd. Als ik onmenselijk was, zou ik volledig eerlijk kunnen zijn; wie menselijk is, kan dat niet. De minuut dat Breivik beseft wat hij gedaan heeft, moet hij zelfmoord plegen.'
'Ik zie parallellen: hij en ik zaten in ons eentje te schrijven, sommige onderwerpen zijn dezelfde, onze culturele achtergrond ook. Hoe kon hij dat in godsnaam doen? Elke Noor moet die vraag voor zichzelf beantwoorden.'
Welk project komt er nu aan, na deze monumentale cyclus van 3.400 bladzijden?
'Er komen geen projecten meer aan, tenzij essays. Erkenning kan ook corrumperen, want ik moet ermee omgaan, en goed proza schrijven na dit. Nu heb ik een publiek, en dat moet ik proberen tevreden te stellen. Dat is nieuw voor mij.'
Interview gepubliceerd in Standaard der Letteren van 16/12/2011.

maandag 8 augustus 2011

darlah. 172 uur op de maan - johan harstad

Darlah is in de nieuwe roman van Johan Harstad de naam van een fictieve maanbasis in de Zee der Stilte, waar Armstrong en Aldrin landden in 1969. Ze werd tussen 1972 en 1974 gebouwd. De Nasa was van plan om er personeel te stationeren, maar raakte in 1976 het grootste deel van haar financiële steun kwijt. De reden: wat op de maan ontdekt werd, was ‘niet de soort ontdekking waar je geld voor krijgt om het verder te onderzoeken'.

Toch staat in Darlah voor 2012 een nieuwe maanexpeditie gepland. Om fondsen te werven en media-aandacht te krijgen wordt een wereldwijde loterij uitgeschreven om drie tieners mee te nemen in de spaceshuttle. De winnaars zijn Mia uit Stavanger, Midori uit Tokio en Antoine uit Parijs. Maar kort na hun aankomst in de maanbasis loopt het al fout – geleidelijk wordt het duidelijk welke ijzingwekkende ontdekkingen in 1976 de geldstroom hebben doen opdrogen.

Pageturner

Harstad heeft van die intrinsiek spannende materie een beklijvende pageturner gemaakt. Daartoe gebruikt hij naast klassieke thrillerelementen als suspense en voorafspiegelend vertellerscommentaar ook enkele horrorthema's: een hele hoop doden, de luchtledigheid op de maan (waardoor niemand je kan horen schreeuwen), de urban legend van Kuchisake-Onna (zie Wikipedia), 6EQUJ5 (in de astronomie bekend als het ‘Wow!-signaal') en dubbelgangers.

Referenties naar tv-series als Lost en Twin Peaks en filmklassiekers als Alien, Solaris en The exorcist: het is, zoals steeds bij Harstad, een feest van herkenning. Hij noemt Darlah ‘een soort eerbetoon aan de genrefilms en de boeken' waarmee hij is opgegroeid – dat betekent vooral dat beschrijvingen en karaktertekening louter ten dienste staan van de plot, maar toch is het resultaat meer dan een stijloefening. Thematisch past Darlah in de lijn van zijn twee vorige, eveneens uitstekende romans, Buzz Aldrin en Hässelby.

De basishouding van Harstads personages is onvrede met het leven-zoals-het-is. Antoine is gedumpt door zijn lief, alsof de tijd die hij had ‘op de parkeermeter van de liefde', afgelopen was. Midori wordt gepest op school, schuilt in de extravagante subcultuur van Tokio en is op haar hoede voor de Japanse val: vroeg trouwen met een saaie kantoorklerk en huisvrouw worden. Mia kanaliseert haar ontevredenheid in haar band. Een ander belangrijk personage, Himmelfarb, de voormalige conciërge van Area 51, volgt de expeditie vanuit het home waar hij eenzaam op de dood zit te wachten, en slaagt er niet in de mensheid te waarschuwen.

Escapisme

De maanreis lijkt voor de personages een prima manier om hun problemen te ontvluchten. Escapisme is een constante bij Harstad, maar telkens blijkt het principieel zinloos. Terwijl de jongelui in de ruimte absolute vrijheid zoeken, vinden ze de beklemming van een astronautenpak, een spaceshuttle, een maanbasis. Vluchten maakt de problemen alleen maar erger.

Daarnaast heeft Harstad in het verhaal nog enkele van zijn obsessies verwerkt: de teloorgang van iconen, onverklaarbare fenomenen en het einde van de wereld. De Nasa, het icoon van wetenschappelijke almacht en kolonisatiedrang van de mens, vertilt zich in zijn ambitie. De onverklaarbare fenomenen zijn de voortekenen die de jongelui krijgen voor ze vertrekken: ze hadden kunnen weten dat het fout kon lopen als ze open hadden gestaan voor wat onwerelds leek. Het einde van de wereld, tenslotte, is zowel een gedachte-experiment als de potentiële ultieme consequentie van de maanexpeditie.

Het basso continuo van Harstad is onbehagen. ‘And as things fell apart, nobody paid much attention', zingen Talking Heads op de mp3-speler van Mia. Het balt een cruciale bekommernis van Harstad samen: de wereld gaat verloren, en niemand doet er iets aan. Hij stelt het melancholisch vast, betreurt het, maar esthetiseert het ook, in tedere en ontroerende beelden, en besluit ondanks alles met een positieve boodschap: ‘pas als je opgeeft, houdt het allemaal echt op'. In het aanzicht van de dood komt het besef hoe mooi alles is, en dat in deze wereld alles mogelijk is. Het is misschien nog net niet te laat om te veranderen.

In Noorwegen werd Darlah oorspronkelijk als ‘adolescentenroman' in de markt gezet, maar laat u niets wijsmaken: de nieuwe meesterproef van wellicht het allergrootste talent in de Scandinavische literatuur is een boek voor iedereen. Darlah is verslavend, beklemmend, ontroerend, intelligent en gewoon verschrikkelijk goed geschreven.


Johan Harstad / Darlah. 172 uur op de maan / vertaling: Paula Stevens / Podium / 368p / recensie 'Verrassing op de maan' gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 05/08/2011

donderdag 16 juni 2011

'het kansloze escapisme van johan harstad'

Terwijl de sociaaldemocratie onder vuur ligt als dirigent voor de financiële en economische crisis, neemt de Noorse schrijver Johan Harstad haar ook kwalijk dat ze geen antwoord biedt op enkele fundamentele menselijke behoeftes. In zijn nieuwe roman Darlah is dat niet anders: groot zijn de bezwaren tegen het leven in het boek. Toch is vluchten voor de beste Scandinavische schrijver van het moment nooit een oplossing.

Darlah. 172 uur op de maan (2011) is een scifi-thriller. Harstad heeft het over een fictieve maanbasis in de Zee der Stilte, waar Armstrong en Aldrin landden in 1969. Om makkelijker media-aandacht en fondsen te werven voor een nieuwe maanexpeditie naar Darlah in 2012, schrijft de NASA een loterij uit om drie tieners mee te nemen: Mia uit Stavanger, Midori uit Tokio en Antoine uit Parijs. Alleen: de NASA heeft nooit verklaard waarom ze precies terug naar de maan wil. De uiteindelijke expeditie ontdekt al snel dat het reizen naar de maan in de jaren 1970 niet zomaar stopgezet is.

Met Darlah wijkt Harstad vormelijk en inhoudelijk af van zijn blauwdruk in Buzz Aldrin, waar ben je gebleven? (2006) en Hässelby. Het demonteren kan beginnen (2009), waarin een naïeve ik-verteller zijn eigen kleine verhaal verweeft met een groter maatschappelijk verhaal: respectievelijk de maanlanding in 1969 en het verval van de Zweedse sociaaldemocratie. In zijn nieuwe roman daarentegen begint het kleine verhaal met een onbezorgde jeugd, die dan afglijdt tot een besef van volstrekte zinloosheid en culmineert in een eenzame depressie. Tot slot proberen de peronages voorzichtig de ruïnes van hun leven te stutten.

Al is die macrostructuur afwijkend, toch bouwt Harstad met Darlah verder aan een solide, relevant oeuvre. Hij zet zijn figuren in een proefsituatie: uit hun gedrag vallen impliciet conclusies te trekken die ver voorbij de grenzen van de fictie reiken. Het uitgangspunt achter hun verhalen is een diepe onvrede met het leven zoals het is – een vaststelling waarvoor er verschillende, cumulatieve oorzaken zijn.
Onvrede
Harstads romans spelen in een tijd waarin van de grote maatschappelijke ideologieën alleen nog de verhalen resten. De teloorgang van de praktische Scandinavische sociaaldemocratie na de moord op Palme in 1986 is exemplarisch voor het morele failliet van alle bevoogdende verzorgingsstaten. Ze hebben de fundamentele eenzaamheid van de mens niet opgelost, niet iedereen in gelijke mate gelukkig gemaakt en cohorten waarnemers gecreëerd die alles wel zien gebeuren, maar er niets tegen ondernemen. De verzorgingsstaat faalt ook concreet wanneer in Buzz Aldrin het opvangtehuis dat patiënten voorbereidt op re-integratie, geen overheidsgeld meer krijgt en de deuren moet sluiten. De wereld in Darlah is breder dan Scandinavië. In de Verenigde Staten zit een oude man die nog op Area 51 heeft gewerkt, eenzaam in een home op de dood te wachten. In Tokio loert de ‘Japanse val’: mannen die na hun saaie kantoorjobs uitgeput in slaap vallen op de trein, op weg naar hun vroeg getrouwde, verbitterde huisvrouwen.

Daarnaast zijn er de harde wetmatigheden van het leven zelf: de sturende kosmische kracht is blind toeval, de veeleisende arbeidsmarkt vereist complexe keuzes, en van de liefde is niet noodzakelijk verlossing te verwachten. Jongens worden bij Harstad van de ene op de andere dag door meisjes ingeruild voor iemand anders, alsof de tijd die ze hadden ‘op de parkeermeter van de liefde’, simpelweg afgelopen was. Ze worden bedrogen met iemand ‘die niet bang is van het leven’, of ze kiezen er zelf voor om dichter bij hun hopeloos verbitterde vader te zijn, ook al moeten ze daarvoor een prima relatie afbreken waarin ze zich wat minder eenzaam voelden.
Escapisme
Bovendien is er geen god of archimedisch punt: Harstads universum wordt gekenmerkt door de onmogelijkheid van transcendentie. De wereld van zijn personages kent hoogstens nog iconen: bekende modellen of hogere instanties om zich aan te spiegelen. Maar ook die kunnen de leegte van de goden niet opvullen en deemsteren weg. In Darlah is het icoon van dienst de NASA – het ongebreidelde vooruitgangsoptimisme van de mens, de wetenschappelijke almacht, de kolonisatiedrang. In Buzz Aldrin zakt Mattias onder een zwarte zon weg in zijn eigen depressie, zich vereenzelvigend met Buzz, de tweede man op de maan. Die was na zijn avontuur ook zelf al tenonder gegaan in een spiraal van wanen en alcohol. In Hässelby is de verteller dan weer een volwassen versie van Albert Åberg, de kleuter uit de bekende Zweedse kinderboeken van Gunilla Bergström. Hij veroorzaakt eigenhandig het einde van de wereld, waarin hij onvermijdelijk ook zelf verzwolgen wordt.

Harstad ensceneert geen Twilight of the Gods zoals Wagner, of een Twilight of the Idols zoals Nietzsche. Zijn verhaal is een Twilight of the Icons. Gespiegeld aan Nietzsches ideeën tonen Harstads personages hun slavenmoraal door hun ‘decadente’ antwoord op de onvrede en de zinloosheid. Ze zeggen geen volmondig ‘ja’ tegen het leven, zoals Nietzsche voorschreef. Ze ontkennen elke ‘wil tot leven’, elke ‘wil tot macht’, elk streven naar geldingsdrang als vrije helden van het alledaagse. Nee, Harstads figuren blijven onbeslist, raken verstrikt in morele dilemma’s of gaan simpelweg op de vlucht. Hun decadentie is hun onvermogen om het leven, ondanks alle lijden, te omarmen. In tijden waarin ambitie nochtans onbeperkt kan worden uitgeleefd, voert Harstad dus een nieuw soort mens ten tonele: de mens die zich ontreddderd terugtrekt in de schaduw, verlangend naar onzichtbaarheid – uit radeloosheid, uit angst voor de ontgoocheling, omdat wie het geluk heeft gevonden, het ook weer kwijt kan raken. Deze mens belichaamt bescheidenheid, door zijn scherpe besef van menselijke nietigheid.

Ook in Darlah gaan de personages op de vlucht, maar wel een radicaal andere richting uit. Ze geven de anonimiteit op in een gemediatiseerde maanexpeditie. Het is de prijs die ze betalen om zo ver mogelijk te kunnen vluchten en daarna een ander leven op te bouwen.

Escapisme is een constante bij Harstad, of het nu richting de Faeröer, Hässelby of de maan is. Vluchten lijkt een makkelijke oplossing voor wat er verkeerd loopt, een vorm van radicale vrijheid, maar blijkt toch principieel zinloos. De oneindige vrijheid van de ruimte wordt al snel herleid tot gehoorzaamheid tegenover de professionele astronauten en de claustrofobie van een krappe capsule. Bovendien leidt het tot een ontzettend treurig einde. In Darlah gaat de NASA kapot en wordt de mensheid bedreigd door een mysterieus fenomeen. In Buzz Aldrin bouwen de bewoners van het gesloten opvangtehuis een eenvoudige boot om de Atlantische oceaan over te steken, met hoogst onzekere afloop. En in Hässelby veroorzaakt Albert een Götterdämmerung: hij is in zijn solipsistische depressieve universum niet alleen een icoon, maar ook de ene god.

Die ‘iconendeemstering’ maakt van Harstad niet alleen een iconoclast, maar ook de schrijver met de hamer: hij slaat de iconen kapot, en in dezelfde beweging ook de illusie dat vluchten of ineengedoken niets doen een oplossing is. Dat escapisme van de nieuwe mens is volstrekt kansloos: wie op de wereld en het leven reageert met een verlangen naar onzichtbaarheid, gaat enkel voortijdig ten onder, en sleurt de wereld met zich mee.

Alternatief
Harstads fascinatie voor het Robinson-syndroom – wie als laatste op aarde overblijft, kan enkel vertrouwen op zichzelf en zijn talenten – stelt de inzet van zijn oeuvre op scherp: het worst case scenario is geen vaag luxeprobleem als langer werken, communautaire spanning of minimale collectieve verarming, maar wel het einde van alles.

Het begin van dat einde is precies het failliet van alles waar de sociaaldemocratie voor staat: zorg, solidariteit, sociale cohesie. Ondanks de beklemming van een astronautenpak, een spaceshuttle, een maanbasis, een kleine flat in Hässelby, een benepen flat en dito leven in Tokio, kijken mensen niet meer naar elkaar om. De dakloze in Central Park en de man uit Area 51 prediken in de woestijn. Niemand luistert, voortekenen worden genegeerd, iedereen bemoeit zich enkel met zijn eigen zaken en doet alsof er niets aan de hand is. ‘Het lijkt bijna wel of we zijn opgehouden om voor elkaar te zorgen, zijn opgehouden rekening met elkaar te houden’, stelt Harstad in zijn nawoord bij Hässelby. ‘Wij zijn bezig elkaar op te geven.’

Terwijl de mensen van elkaar niet merken dat ze verloren gaan, wordt iedereen wel in de gaten gehouden door een mysterieuze instantie. De missie in Darlah wordt gemonitord door Big Brother en unheimliche dubbelgangers, die heersen op de maan en perfect weten wie de astronauten zijn. In Hässelby is er het zwarte notitieboekje, ‘dik als een baksteen’, dat het hele doen en laten van Albert bevat, gedocumenteerd door een demon die hem jarenlang heeft geobserveerd. Bij Harstad is er steeds het onbehaaglijke gevoel dat iemand alles in het donker in de gaten houdt.

Als de mens niet meer voldoet aan de vereisten, maakt hij zichzelf overbodig en houdt het ras op. ‘Ondanks het feit dat het object van het begin af aan werd beschouwd als de beste mens van allemaal, is het niet mogelijk een andere conclusie te trekken dan dat hij, net als de andere observatieobjecten, één grote teleurstelling is geweest. Er is geen reden meer voor het in stand houden...’, schrijft Harstad in Hässelby. Toch blijft er in zijn oeuvre altijd hoop, want alles houdt pas echt op als je opgeeft. Harstad formuleert wel degelijk alternatieven voor niets doen en vluchten. Ze zijn opvallend basaal en bereikbaar: opnieuw voor elkaar zorgen, naar elkaar luisteren, het weefsel van de gemeenschap verstevigen, en de heroïek van het alledaagse.

Harstads krachtige werk, het beste dat Scandinavië de laatste jaren te bieden heeft, staat in het teken van de bekende woorden van Rilke: ‘Du musst dein Leben ändern’. Harstads relevantie en engagement schuilen in de testresultaten van zijn fictielabo. In een wereld waarin van de maatschappelijke ideologieën alleen nog maar de verhalen resten, waarin elk archimedisch punt voor zingeving ontbreekt en waarin van de liefde geen verlossing te verwachten valt, blijken verlangens naar onzichtbaarheid en escapisme niet alleen onproductief, maar ook ronduit gevaarlijk. Die wereld kunnen we benoemen: het is, onrustwekkend genoeg, de onze. Het moet anders, het moet beter, want het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.

Essay 'Het kansloze escapisme van Johan Harstad' gepubliceerd in rekto:verso
<http://www.rektoverso.be/nummers/928-zomerlijn-2011/1715-het-kansloze-escapisme-van-johan-harstad>

zondag 28 november 2010

engelen vallen langzaam - karl ove knausgård

Karl Ove Knausgård (1968) is een literaire sensatie in Noorwegen. Al twee jaar houdt hij het land in de ban met zijn zesdelige — gefictionaliseerde — autobiografie Min Kamp. De lezers zijn gebiologeerd door het drieduizend bladzijden tellende boek met zijn provocerende titel en door Knausgårds verregaande exploraties van het privéleven van zijn vrouw, familie en vrienden.

De structuur

Engelen vallen langzaam is al even uitdagend. Het is een theologische fantasie van 574 pagina's over de aard der engelen, die bestaat uit verschillende romans in verschillende genres. In het kernverhaal raakt de elfjarige Antinous Bellori gefascineerd door engelen nadat hij in een bos twee exemplaren heeft zien baden en jagen. Met de controversiële studie Over de aard der engelen wordt hij later een toonaangevend theoloog.

Wanneer hij na meer dan veertig jaar een hele troep engelen ontdekt, stelt hij een ontluisterende degeneratie vast — de engelen onderscheiden zich in niets meer van dieren.

We lezen in Engelen vallen langzaam niet rechtstreeks het traktaat van Bellori, maar worden erover onderhouden door een anonieme verteller. Die reconstrueert het betoog en het leven van Bellori in een cultuurhistorisch en theologisch discours over engelen, waarin hij ook langs Newton, Thomas van Aquino en Augustinusen een resem andere exegeten en filosofen fietst.

Ook het Oude Testament is een belangrijke bron voor de verteller. In zijn verhaal over engelen springt hij van de zondeval naar Lot en weer terug naar Ezekiel en drukt hij zijn eigen stempel op twee succesnummers uit de Bijbel: Kaïn en Abel en Noach en de zondvloed. In de laatste vijftig bladzijden treedt de hedendaagse verteller zelf op de voorgrond. Hij doet het troosteloze relaas van zijn worsteling met zichzelf en een niet nader genoemde last op een afgelegen eiland.

De ambitie

Knausgård mikt heel hoog: hij wilde een roman schrijven over het gedrag van mensen en de natuur van de engelen (die meteen ook de vraag naar het goddelijke impliceert). In zijn zoektocht naar het hoe en waarom van de engelen doet Bellori de verschrikkelijke ontdekking dat God dood is — mens geworden, als mens gestorven. Dat had dramatische gevolgen voor de engelen: ze bleven alleen achter op aarde en zijn door hun waanzinnige verdriet steeds verder gedegenereerd, of: langzaam gevallen.

Tijdens die degeneratie veranderen ze geregeld van vorm om zich aan hun omgeving aan te passen — dat is meteen de verklaring voor de opvallende evolutie van afbeeldingen van engelen in de hele cultuurgeschiedenis. Ze eindigen als opdringerige meeuwen in het Noorwegen van de twintigste eeuw, wat de verteller doet besluiten dat God dood is en niets nog zin of betekenis heeft.

Knausgård toont in dezelfde beweging ook aan dat het Oude Testament in de kern actueel is. Door bekende Bijbelverhalen over te zetten naar een 19de-eeuwse Noorse setting, benadrukt hij hun tijdloosheid: de cherubijnen bewaken de weg naar de boom des levens, maar de mensen wonen er aan fjorden, eten suikerspinnen en schieten met geweren op nefilim (wezens die half engel, half mens zijn).

De stijl

Engelen vallen langzaam is een staalkaart van de vele registers en stijlen die de schrijver beheerst. In de schitterende openingsscène, waarin Bellori een mierenhoop vernielt, benadert Knausgård de afgemeten onvermijdelijkheid van Reve in Werther Nieland, terwijl zijn essayistische uitweidingen herinneren aan Borges, en zijn allesomvattende systeembouw aan Mulisch. Met gemak manoeuvreert hij van erudiete theologische uitweidingen naar natuurbeschrijvingen en sfeerscheppingen tot bijna achteloze hertalingen van uitgewoonde Bijbelklassiekers — alleen de groten kunnen die vandaag nog spannend houden. In de zuiver theologische passages loert de pedanterie soms om de hoek, maar Knausgård laat nergens de vaart uit het verhaal verdwijnen.

Engelen vallen langzaam is een volstrekt unieke, uitdagende en complexe pageturner. Soms zijn hypes terecht.

Karl Ove Knausgård / Engelen vallen langzaam / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 574p / recensie 'Engelen vallen langzaam' gepubliceerd in De Standaard der Letteren


zondag 11 april 2010

ik vervloek de rivier des tijds - per petterson

Per Petterson is een oeuvrebouwer. De Noorse romancier, een literaire ereklasser sinds hij voor Paarden stelen in 2007 de prestigieuze internationale IMPAC-prijs kreeg, heeft de krijtlijnen van zijn fictieve universum minutieus afgebakend. Het ligt in Noorwegen en Denemarken en is bevolkt met arbeiders en jongeren met communistische sympathieën. Er wordt veel gelezen, en mensen reizen er met de ferry — tussen haakjes: de ouders en een broer van Petterson stierven in 1990 met 156 anderen in een brand op de Scandinavian Star ferry.

Het opvallendste kenmerk van de meeste romans van Petterson is een hoofdpersonage met de naam Arvid Jansen. ‘Hij is niet mijn alter ego, hij is mijn stuntman. Er overkomen hem dingen die mij hadden kunnen overkomen, maar niet overkomen zijn', zei Petterson daarover in een interview met The Guardian.

Al vroeg in Ik vervloek de rivier des tijds, de nieuwste Petterson, zit de 37-jarige Arvid Jansen op de ferry tussen Oslo en Jutland — het is 1989 en hij volgt in een opwelling zijn moeder, die na de diagnose van maagkanker naar haar geboortestreek terugkeert om het nieuws te verwerken. Arvid wil haar steunen, troosten en nog zoveel vertellen — dat hij gaat scheiden van zijn vrouw, om maar te beginnen.

Het verhaal wordt aangedreven door de herinneringen die losgeweekt worden door de terugkeer naar Jutland. Arvid denkt terug aan hoe het vroeger was, met vier broers samen, en later met drie, omdat één broer veel te vroeg gestorven is; hoe hij rotzooide met het buurmeisje, daarna een vriendin kreeg, en nu pijn in zijn borst voelt en dwangmatig zijn ogen dichtknijpt bij het idee van een scheiding; hoe hij een Mao-poster op zijn slaapkamer had, en als jonge fabrieksarbeider de communistische revolutie uitdroeg; hoe zijn moeder hem de liefde voor film en literatuur bijbracht, maar hem verder niet begreep, en hoe hij desondanks nog steeds constant naar haar aandacht hengelt; hoe hij eigenlijk al zijn hele leven twijfelt aan haar liefde en nooit iets aan zijn vader heeft gehad. Ik vervloek de rivier des tijds is het delicate portret van een moeder-zoonrelatie.

Wurggreep

Per Petterson houdt er nergens een rechtlijnige chronologie op na. Het heden en het verleden gaan naadloos in elkaar over, tot ze in hun versmelting de tijd lijken op te heffen. De enorme klasse van Petterson schuilt in de nauwgezetheid waarmee hij op zoek gaat naar het bepalende moment in het leven van zijn personage, en dan loodrecht afdaalt naar de bodem van die seconde.

Het begrip van die ene seconde is belangrijk om opnieuw met het leven verzoend te geraken. Maar dat is geen eenvoudige opgave: er moet zoveel verzoend worden, en de wereld davert zo hard op zijn grondvesten dat zelfs de Berlijnse Muur is gevallen.

Arvids tragiek is bovendien dat hij terugkeert naar een bepaalde plaats om een bepaalde tijd opnieuw te beleven — de tijd toen de beslissingen nog keuzes waren, kansen nog gegrepen konden worden, en alles nog mogelijk was. Hij probeert zijn waardigheid te behouden in een groots gevecht tegen de wurggreep van ruimte en tijd, terwijl hij ten volle beseft dat tijd, ook al denk je alles onder controle te hebben, in een onbewaakt ogenblik toch altijd door je vingers glipt.

Ik vervloek de rivier des tijds is een sobere, krachtige en nazinderende beschouwing over afscheid, verlies en herinnering van een gelouterd auteur op de top van zijn kunnen. Er lopen vele scheuren door het fictieve universum van Per Petterson, maar zolang hij die scheuren perfect gedoseerd blijft dempen met diepmenselijkheid, tederheid en mededogen, kunnen wij niet anders dan ze heel voorzichtig koesteren. Het grote idee uitwerken op de kleine ruimte: in die beperking toont zich hier de meester.

Per Petterson / Ik vervloek de rivier des tijds / vertaling: Paula Stevens / De Geus / 249p / recensie 'Scheuren dempen' gepubliceerd in De Standaard der Letteren

zondag 20 december 2009

het wenshuis - anne b. ragde

Drie broers die mekaar al jaren niet meer hebben gezien vieren samen kerst op de familieboerderij, kort nadat hun moeder gestorven is. De oudste zoon Tor heeft de boerderij overgenomen en woont er alleen met zijn vader; de twee andere zonen zijn een ongetrouwde begrafenisondernemer en een homoseksuele etalagedesigner. Ook Tors onwettige en geheime dochter Torunn is gekomen, op uitdrukkelijke vraag van haar stervende grootmoeder. Zij is 37, dierenarts, en heeft haar vader nog nooit gezien, maar ze voelt zich voor hem verantwoordelijk.


De houding van de broers is eenvoudig: ze draaien rond alles heen- het belangrijkste ligt in de stiltes tussen de nietszeggende algemeenheden die ze uitwisselen. Als Torunn beseft hoe haar vader en grootvader leven, volledig afgezonderd van de wereld, huilt ze om hun verspilde levens. Tor is een ongenietbare zonderling. Hij komt moeilijk rond en is alleen geïnteresseerd in zijn varkens - voor hem is de moderniteit iets wat andere mensen overkomt.


Leugens en wensen


Na kerst vertrekt iedereen terug naar huis, maar de boerderij laat niemand nog los. Het is voor auteur Anne B. Ragde het vertrekpunt om, in het licht van het spanningsveld tussen moderniteit en traditie, te exploreren in welke mate mensen hun wortels kunnen loslaten. Vooral voor Tors dochter Torunn zijn er verregaande gevolgen. Kan ze het maken om terug te gaan haar leven in de stad, alsof er helemaal niets is gebeurd?


Het wenshuis is het middelste deel van een trilogie. Eerder werd het eerste deel vertaald als Het leugenhuis. Sinds Ragde in 2004 het eerste deel van haar Neshov-trilogie publiceerde, is Noorwegen in de ban van de lotgevallen van de familie. Ragde verkocht vele honderdduizenden boeken, en één miljoen mensen ging naar de verfilming kijken - niet slecht in een land met net geen vijf miljoen inwoners.


Die immense populariteit hoeft niet te verbazen, want net als het eerste deel van de trilogie draagt ook Het wenshuis het keurmerk Ragde: boeiend verteld, strak geschreven en afwisselend relativerend, grappig, ontroerend, vervreemdend en onbarmhartig. Of ze nu schrijft over de donkere geheimen van een probleemgezin of over de finesses van vitrinedesign, varkensfokkerij, hondenfluisteren en Swarovski-esthetiek, steeds blijft Ragde trouw aan de voornaamste regel van haar poëtica: romans moeten toegankelijk zijn. Het wenshuis is, binnen die krijtlijnen, echt vakwerk.


Anne B. Ragde / Het wenshuis / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 319p / recensie 'Verspilde levens op de boerderij' gepubliceerd in De Standaard der Letteren

zondag 11 oktober 2009

hässelby. het demonteren is begonnen - johan harstad

‘Ze vermoorden ons een voor een, Albert. Vergeet dat niet,' zegt Bertil Åberg tegen zijn zoon Albert. Het is zomer 1986, amper enkele maanden na een pijnlijke breuk in de Zweedse geschiedenis: de moord op eerste minister Olof Palme op 28 februari 1986. Met Palme stierf de laatste architect van ‘Het Volkshuis', de Derde Weg tussen kapitalisme en communisme, een hoeksteen van de Zweedse sociaaldemocratie.

Bertil is verbitterd omdat zijn zoon Albert de Stockholmse voorstad Hässelby ontvlucht is om te ontkomen aan de verstikkende vader-zoonband.

Albert kocht een interrailticket naar Hamburg, belandde via een excentrieke zakenman in Hongkong, miste op de terugweg zijn vlucht vanuit Parijs en werd daar in een park stapelverliefd op de Duitse Leni. Hij beleefde er de tijd van zijn leven: een sprankelende liefde met de geur van alle zomers uit zijn kindertijd.

Hoe domweg gelukkig Albert ook was, op een dag laat hij Leni achter om terug te keren naar zijn vader. Hij gaat in Hässelby werken in een elektronicawinkel, en incarneert zo zijn hele generatie, met ‘te grote ideeën en te bescheiden talenten', die ‘in de schaduw van de verroeste zuilen van Het Volkshuis' uiteindelijk genoegen nam met wat er te krijgen was.

Wanneer zijn vader sterft, is Albert 42. Hij maakt de balans van zijn leven op. Het overlijden van zijn vader is het einde van een onleefbare afhankelijkheid — en dat voelt als een bevrijding. Daarmee eindigt het wervelende eerste deel van Hässelby, dat Harstad in één gulp neergepend lijkt te hebben. Hij is in topvorm: hij maakt scherpe analyses over de welvaartsstaat, schrijft gulzig over de liefde en Arthur Koestlers theorie over het toeval, ziet daar een kosmisch sturend principe in, en goochelt als een taalvaardige tovenaarsleerling met intertekstuele en culturele verwijzingen.

Demon

Dan volgt er een totale omslag. Albert is nu wel vrij, maar hij is al 42. Zijn bevrijding komt te laat, want nu hij vrij is, kan hij niet meer weg — hij heeft de plaats van zijn vader ingenomen. Aan het firmament verschijnt een zwarte zon; Albert sukkelt in een depressie. Zijn fascinatie voor Koestler slaat om in paranoia, die gevoed wordt door vreemde gebeurtenissen: er schijnt licht op onmogelijke plaatsen, personen duiken onverwacht op en verdwijnen al even onverklaarbaar en de wetten van de fysica worden uitgedaagd. Zijn de visioenen, soms letterlijk uit Twin Peaks, en warrige ijlsequenties depressieve wanen, of net symptomen van een kristalhelder en ‘dieper', onwerelds begrip?

Het besef van een verspild leven heeft nood aan een ander ritme en een andere toon: Harstad kiest voor een claustrofobische intensiteit. De sturende rol van het toeval, het onmiskenbare onbehagen en de krankzinnige, maar door zijn interne samenhang wel volstrekt geloofwaardige logica doen bijwijlen aan Haruki Murakami denken.

Harstad laat alles uitmonden in een apocalyptische finale waarin Albert letterlijk zijn demonen tegenkomt. Zijn leven is, in tegenstelling tot wat hij dacht, niet onopgemerkt voorbijgegaan. Hij is een observatieobject dat ‘de verwachtingen' niet heeft waargemaakt, en het dus niet verdient in stand te worden gehouden.

De persoonlijke nederlaag van Albert is belangrijk voor het Zweden na Het Volkshuis. De perfect gestroomlijnde maatschappij heeft cohorten waarnemers gecreëerd: niemand doet of zegt nog iets — men kijkt alleen maar toe. Hässelby gaat over de tragische ethiek van de waarnemer die alles teloor ziet gaan, maar zelf niets onderneemt. Zelfs niet als het einde van de wereld eraan komt.

In die wisselwerking tussen petite histoire en groot verhaal ligt de kracht van Johan Harstad. Het is een heksentoer die hij ook al uithaalde in zijn debuutroman Buzz Aldrin, waar ben je gebleven?, waarin hij trouwens ook zijn hoofdpersonage in de meest afgrondelijke eenzaamheid een depressie liet doormaken.

Opoffering

Hässelby is geschreven met de schaamteloze ambitie die eigen is aan beeldenstormers. Harstad etaleert een fascinerend fatalisme in een tijd waarin de grote verhalen hun kracht hebben verloren. Hij laat je na een wilde rit op een emotionele roetsjbaan volledig ontregeld achter.

Hij bezit ook de meedogenloosheid van de groten. Albert Åberg verwijst naar de hoofdpersoon van een populaire Zweedse kinderboekenreeks. Harstad heeft hem, tot afgrijzen van vele Zweden, volwassen laten worden en met alle zonden van de wereld beladen. Door Albert op te offeren, kan hij zelf verder leven. Dat opent schitterende perspectieven.

Johan Harstad / Hässelby. Het demonteren is begonnen / vertaling: Paula Stevens / Podium / 350p / recensie 'Scherp en gulzig' gepubliceerd in De Standaard der Letteren


dinsdag 17 maart 2009

weekend - trude marstein

De jonge Noorse schrijfster Trude Marstein is populair bij de Scandinavische critici. Op haar naam staan vier romans, een essaybundel, een toneelstuk en een kinderboek – en ongeveer evenveel literaire prijzen. Met Weekend levert ze haar meest ambitieuze roman tot nog toe af. Het is het verhaal van het feest dat Karoline Skramnes geeft voor haar vijftigste verjaardag – een kleine Noorse stad, een weekend in juli. Karoline heeft een verantwoordelijke functie bij  Grøstad, is getrouwd met Egil en is ontzettend aantrekkelijk: ‘Alle mannen zijn verliefd op Karoline en doen verwoede pogingen om dit te verbergen. Alle vrouwen haten Karoline en doen verwoede pogingen om dit te verbergen’.

Op het feest houdt haar man Egil, van wie iedereen zich afvraagt hoe hij aan zo’n vrouw is geraakt, een vreemde, meedogenloze speech. Naast liefdevol en aanhankelijk kan Karoline ook ‘egoïstisch, onverschillig, onberekenbaar en boosaardig’ zijn, zegt hij. Zijn betoog past niet in de feeststemming. Dat Karoline nog voor middernacht van haar eigen feest verdwijnt, past evenmin – zou er een causaal verband zijn?

Daarmee hebt u de centrale verhaallijn gehad. Klinkt allemaal niet zo bijzonder, zegt u? Toch is het dat wel. Het ambitieuze en ongewone van Weekend zit in de manier waarop het verhaal gebracht wordt. Marstein is creatief met focalisatie en vertelt haar roman afwisselend door de ogen van liefst 118 personages, die allemaal iets met Karoline te maken hebben – wij hebben het niet nageteld, maar het staat op de achterflap. De lezer springt voortdurend van de ene verteller over op de andere, elk met zijn eigen verhaal, en voelt zich daarbij als een kind dat in een cirkel vriendjes in het rond wordt geduwd: overrompeld en uitgelaten, maar ook een beetje duizelig.

Het procédé van de wisselende focalisatie laat Marstein toe belangrijke verhaalsituaties steeds verder uit te benen vanuit verschillende invalshoeken. Haar ambitie reikt namelijk verder dan het verjaardagsfeest. Uit de fragmentatie van haar caleidoscoop komen universele menselijke thema’s tevoorschijn: schande, vergeving, liefde, dood, schaamte, lust. Ook in Noorwegen zijn seksuele relaties hopeloos complex en proberen mensen vruchteloos om genot aan hun lichamen te ontwringen. En disfunctionele gezinnen zijn geen alleenrecht van een Noord-Amerikaans suburbia.

Als allerlaatste in deze polyfone roman krijgt Karoline zelf het woord, voor het eerst. In een sterke slotmonoloog knoopt ze enkele losse eindjes aan elkaar en onthult ze haar handelingsmoraal: ‘haal jezelf geen schaamte en leegte op de hals’ – het is een lovenswaardige instelling, maar over de resultaten in haar eigen leven kan gediscussieerd worden.

Trude Marstein heeft met Weekend een steeds verder uitdijende verhalenoceaan gebaard. De kunst is daarin is te blijven dobberen, want 480 pagina’s is te lang, en 118 vertellers van het goede te veel. Weekend balanceert dan ook soms gevaarlijk op de slappe koord tussen stijloefening en spannend verhaal. Maar uit de totaalconstructie en uit elke afzonderlijke zin spreken zo veel bezieling en vakmanschap dat het verhaal geschreven lijkt in één grote gulp, in één grote gedachtestroom, zij het dan uit verschillende monden en hoofden. En dat wekt bewondering. Marstein overtuigt nog niet volledig, maar is absoluut een schrijfster om in de gaten te houden.


Trude Marstein / Weekend / vertaling: Maaike Lahaise / Houtekiet/Atlas / 480p

zondag 8 juni 2008

de entertainer - lars saabye christensen

Een gospelkoor is nooit alleen. Anders ligt het voor een pianist – en dan zeker in het noorden van Noorwegen.

Ooit droomde Jonathan Grep van Satie en Schumann. Ooit was hij tot diep in zijn lange, dunne vingers doordrongen van de wil concertpianist te worden, maar tussen droom en daad stonden zijn gebrek aan talent en een pianolerares. ‘Ik had te hoge verwachtingen van je, Jonathan. Kun je me dat vergeven?’, vraagt ze hem later. Hij is geen virtuoos, maar heeft wel een zekere charme.

Zijn alternatief is een carrière als restaurantmusicus. Spelen doet hij op een orgel, een allesbehalve minderwaardig instrument dat volgens Thomas van Aquino de ziel verheft naar het hoge. Maar anders dan concertpianisten zijn restaurant- of dansmusici wel ‘de mijnwerkers van de muziek, de handelsreizigers van de hits’. Zij huldigen één mantra: spelen met waardigheid is belangrijker dan spelen zonder fouten.

Jonathan pleistert in een anoniem hotel in het noorden van Noorwegen omdat hem daar, als tegenprestatie voor zijn orgelspel, kost en inwoon is beloofd. Maar hij kan zich niet goed aanpassen aan de stralend lichte nachten en lijdt aan slapeloosheid – een langzame manier van sterven die hem van binnenuit opvreet. Hij maakt in het hotel kennis met Sara en Solveig, de vreemde halfzusjes die samen de receptie van zijn hotel bemannen en tegen beter weten in het dorp zijn blijven wonen. Sara wil, net als Jonathan, de duisternis uit haar lichaam verdrijven en droomt overdag en ’s nachts van Viking-graven. Hij praat wel met de meisjes, maar ervaart woorden als valse vrienden: ‘Altijd weer die woorden die je bedriegen, hun tong uitsteken, spugen, je onder je voeten kietelen, je rug likken en in je nek bijten’.

De rest van het dorp is niet minder excentriek – de dokter, de veerman, de grafdelver, de hoteleigenaar, de dirigent van de fanfare: ze leven samen met hun trauma’s, interne verdeeldheid en vooral een hoop prachtige oude verhalen. ‘Hier vieren we de dood’, krijgt Jonathan te horen in het dorp. Onder kleine stenen rusten de doden; regen en wind wissen hun namen weg, zodat ze het eeuwige leven krijgen.

Toch probeert Jonathan zich maatschappelijk te integreren in de kleine, gesloten gemeenschap. Omdat elk leven tenslotte een project nodig heeft, legt hij zichzelf een opdracht op: de man van de verzoening worden. Maar terwijl hij rusteloos wacht op een geschikt toneel voor de tragische dorpsverzoening, wordt alles plots helemaal anders.

‘Ik groef alleen maar gaten waar ik mijn hoofd in kon steken om aan de wind te ontsnappen’, voert Jonathan aan ter verdediging van zijn gedrag. Maar hij leert dat wat je ook probeert, je hoe dan ook sporen achterlaat. Er is altijd iemand die je inhaalt, er is altijd iemand die iets van je weet: dat is wat het betekent om mens te zijn.

Lars Saabye Christensen publiceerde Jubel al in 1995 in het Noors. De Nederlandse vertaling maakt 13 jaar later duidelijk waarom Christensen, die al sinds 1976 een indrukwekkende productie aanhoudt, zo populair is in Scandinavië: hij vat de menselijke conditie van de maatschappelijke buitenstaander en de noordse melancholie treffend in een meedogenloos amalgaam van onschuld, dreiging en mysterie. Dat doet hij in een poëtische en humoristische stijl die spaarzaam doorspekt is met absurditeit en slapstickelementen. Zijn personages ademen menselijkheid.

Jonathan Grep is in de eerste plaats een entertainer, maar hij is meer – hij is: idealist, cynicus en humanist. Zijn tragiek is dat hij nooit lang achtereen ongelukkig of gelukkig kan zijn. En dat hij dat volledig zelf beseft. Het beste is dan ook: alles te dragen met waardigheid, want waardigheid maakt de meester.

Lars Saabye Christensen / De entertainer / vertaling: Paula Stevens / De Geus / 282p