zondag 15 mei 2011

de 100-jarige man die uit het raam kroop en verdween - jonas jonasson

Wie in een taalgebied met amper 9,4 miljoen Zweden meer dan 700.000 exemplaren van een roman verkoopt, moet een wel erg gevoelige snaar hebben geraakt. Jonas Jonasson presteerde dat sensationele verkoopsucces met zijn debuut, De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween.
Het boek rekent niet af met een collectief Zweeds trauma, het is niet van bijzondere talige schoonheid en het heeft geen typisch populair onderwerp. Toch is het zeldzaam onweerstaanbaar. Toegegeven: de personages zijn meeslepend en de opbouw is inventief, maar het bijzonderste is de opvallend juiste toon.

De honderdjarige man uit de titel is Allan Karlsson. Enkele uren voor zijn honderdste verjaardag in het bejaardentehuis zal worden gevierd, klimt hij op zijn pantoffels uit het raam. Voor hij op de bus stapt, steelt hij in het busstation een koffer, met als alibi zijn hoge leeftijd: ‘Als het leven overuren maakt, is het eenvoudig om jezelf vrijheden te veroorloven.' In de koffer zitten 50 miljoen kronen van een ‘criminele organisatie' die ver wil gaan om het geld terug te krijgen.

Kansloze missie voor een honderdjarige, lijkt het wel, maar Allan is kranig, bijdehand en pragmatisch genoeg om toch een kans te maken. Hij neemt de dagen zoals ze komen, lost de problemen op als ze zich stellen, en is onmogelijk uit balans te krijgen, als hij maar bijtijds een borrel krijgt – ‘drink nooit met een Zweed als je zelf geen Fin of in elk geval een Rus bent', zegt hij. En zijn aanpak werkt.

De gangsters die jacht maken op de koffer zijn ook gewoon pijnlijk ongetalenteerd en Allan krijgt op zijn vlucht hulp van sympathisanten. Een charmante amateurcrimineel, een mooie vrouw, een snackbaruitbater, een olifant: het is een kleurrijk gevolg. In dat opzicht is De 100-jarige man een sprankelende road novel: Allan en zijn nieuwe vrienden trekken door Zweden, in eerste instantie om te ontsnappen aan de criminelen, en in tweede instantie aan de politie, omdat er slachtoffers zijn gevallen.

Doorheen de 20ste eeuw

Daarnaast bevat De 100-jarige man nog een andere laag. Dankzij zijn leeftijd heeft Allan het grootste deel van de twintigste eeuw meegemaakt, en door een aaneenschakeling van onwaarschijnlijke, maar geloofwaardige toevalligheden heeft hij heel wat politieke sleutelfiguren uit die eeuw ontmoet. Dat hij in volle Burgeroorlog als ontstekingstechnicus in Spanje terechtkomt en daar het leven van Franco redt, is een goede generale repetitie – de rest van de eeuw is hij op het juiste moment op de juiste plaats. In Los Alamos met Truman, in China met Mao en Chiang Kai-shek en in Iran met de veiligheidspolitie van de sjah: Allan was erbij. In Rusland dineert hij met de vreselijke Beria en Stalin, in Noord-Korea fopt hij de jonge Kim Jong Il. In 1968 laat hij het rumoerige Azië voor wat het is en settelt zich in het rustige Parijs. Eenentwintig jaar later, ten slotte, is hij in de Sovjet-Unie.

Hoewel het naar het einde toe allemaal wat vergezocht wordt, tekent Jonasson Allans levensloop redelijk overtuigend uit, met een coherente interne logica en uiteraard met een royale portie suspension of disbelief. Hij biedt zelfs een amusant nieuw perspectief op enkele historische feiten als de haat tussen Johnson en De Gaulle en de mythische topontmoeting tussen Nixon en Brezjnev.

Onvermijdelijke vrolijkheid

Toch kan Jonassons krankzinnige uitgangspunt maar werken bij gratie van de geschikte toon. De 100-jarige man heeft niets van de grandeur of zwaarte die Scandinavische romans al eens kenmerken. Het is, integendeel, ontwapenend, pretentieloos en grappig, zonder ooit de dunne lijn met onnozel te overschrijden. Jonasson viseert de grinnik, niet de schaterlach.

De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween leest alsof de scenaristen van Benidorm bastards samen met de gebroeders Coen de vorige eeuw hebben willen samenballen in een roadmovie: allerminst alledaags, maar het werkt wonderwel, en het leidt tot onvermijdelijke vrolijkheid. Het mag dan ook niet verwonderen dat de filmrechten van deze onweerstaanbare feelgoodroman intussen verkocht zijn.


Jonas Jonasson / De 100 jarige man die uit het raam klom en verdween / vertaling: Corry van Bree / Signatuur / 358p / recensie 'Antigif voor zuurpruimen' gepubliceerd in De Standaard der Letteren

zondag 10 april 2011

de onzaligen van lódz - steve sem-sandberg

Bij de publicatie van zijn monumentale roman De onzaligen van Lódz legde de Zweedse schrijver Steve Sem-Sandberg (1958) in het Svenska Dagbladet uit wat hem precies ergert aan de klassieke benadering van verhalen over de Shoah: 'Ze focussen op een bepaalde manier altijd op hen die het overleefd hebben, zodat we als lezers opgelucht kunnen ademhalen en zeggen: 'ja, het kwam uiteindelijk allemaal goed'.'

Sem-Sandbergs logische alternatief is een radicaler slachtofferperspectief. We weten al uit de geschiedenisboeken hoe het is afgelopen met de historische figuren die hij opvoert in het getto van Lódz. Daardoor dreigt ook onvermijdelijk fatalisme, maar de geboren verteller Sem-Sandberg omzeilt die valkuilen met boeiende nevenpersonages van wie we het lot nog niet kennen. Hij bouwt via verschillende verhaallijnen voldoende spanning in, terwijl dat niet eens zijn belangrijkste bezorgdheid is. De onzaligen van Lódz is ook, en misschien vooral, een verschrikkelijk monument tegen het vergeten, en een confronterende exploratie van de dynamiek van macht en repressie in een geïsoleerd systeem.

Overlevingsdrang

Kort na hun verovering van Lódz, in september 1939, germaniseerden de nazi's de stad tot Litzmannstadt en richtten ze er het tweede grootste Joodse getto van het bezette Polen op. Een derde van de 672.000 inwoners was Joods; toen de Russen het getto begin 1945 bevrijdden, waren er, na jaren van deportaties naar de vernietigingskampen, nog enkele honderden over. Amper 10.000 Joden uit het getto overleefden de oorlog.

De inwoners van het getto zijn memorabele figuren, die met een bovenmenselijke overlevingsdrang overeind proberen te blijven in een draaikolk van honger, pijn, gruwel en wanhoop, die Sem-Sandberg op een erg indringende wijze tastbaar maakt. Het getto is een uitzichtloos doolhof, een parallelle realiteit waarin niemand te vertrouwen is en het ene slachtoffer het andere verraadt. Het gros van de Joden verricht mensonterende slavenarbeid, gecontroleerd door Joodse en Duitse ordehandhavers. Het leven is er, zeker nadat het nieuws van de Shoah begint door te dringen, claustrofobisch en zonder enige hoop.

De sleutelfiguur is Mordechai Chaim Rumkowski, een Jood die door de nazi's met bijna onbeperkte macht aan het hoofd van het getto wordt geïnstalleerd. Hij verzet zich niet tegen de nazi's. Integendeel, onder het motto 'unser einziger Weg ist Arbeit' doet hij er alles aan om van het getto een gestroomlijnde productiemachine te maken. Zo wil hij het getto onmisbaar maken voor de allesverslindende oorlogsmachine van de nazi's, maar die eisen een steeds hogere productiviteit in steeds slechtere arbeids- en levensvoorwaarden. Eerst worden stakers gedeporteerd, dan kinderen, en dan iedereen die niet kan werken. Die totale vermarkting van het menselijke leven werkt de uitzichtloosheid in de hand. De inwoners revolteren, en de macht van Rumkowski brokkelt af, tot hij in augustus 1944 wordt gedeporteerd en vermoord.

Nuances

De even fascinerende als afstotelijke Rumkowski is de hefboom waarmee Sem-Sandberg van een prima historische roman superieure tijdloze literatuur maakt. Was Rumkowski een leugenachtige aartsopportunist die 'de onzekerheid tot staatsideologie verhief om ongehinderd materiaal te kunnen blijven leveren voor de nazistische vernietigingsmachine' en genoot van zijn macht in het getto? Of een machteloze naïeveling die zijn volk zonder enige vorm van verzet naar de slachtbank liet leiden? Een pragmatische visionair die door te produceren en sluw te onderhandelen alsnog 10.000 Joden door de oorlog loodste?

Sem-Sandberg laat duidelijk zien hoe verwerpelijk Rumkowski zich gedroeg, maar toont ook hoe alles afhangt van nuances, omstandigheden, perspectieven, en van nog zo veel meer. De onbenaderbaarheid van een absolute waarheid verhindert een eenvoudig, algemeen geldend oordeel.

Sem-Sandberg sluit apocalyptisch en beklemmend af, met een radicale vervaging van de grens tussen de levenden en de doden. 'Er zijn gewoon niet meer voldoende levenden over om een hele werkelijkheid te kunnen dragen', schrijft hij. De onzaligen van Lódz is een welgemikte moker. Wanneer die impact langzaam vervaagt, kristalliseert het besef dat er bij Sem-Sandberg weinig antwoorden te rapen zijn, maar dat de vragen dieper en complexer zijn geworden. Hij schildert zijn universum in alle mogelijke grijstinten, maar nooit in wit of zwart.

In Zweden wordt Steve Sem-Sandberg met deze bekroonde roman - zijn twaalfde, maar de eerste die in het Nederlands wordt vertaald - de internationale doorbraak voorspeld. Zelden zal dat zo verdiend geweest zijn.
Steve Sem-Sandberg / De onzaligen van Lódz / vertaling: Geri de Boer / Anthos / 599p / recensie 'De onzaligen van Lódz' gepubliceerd in De Standaard der Letteren 

zondag 28 november 2010

engelen vallen langzaam - karl ove knausgård

Karl Ove Knausgård (1968) is een literaire sensatie in Noorwegen. Al twee jaar houdt hij het land in de ban met zijn zesdelige — gefictionaliseerde — autobiografie Min Kamp. De lezers zijn gebiologeerd door het drieduizend bladzijden tellende boek met zijn provocerende titel en door Knausgårds verregaande exploraties van het privéleven van zijn vrouw, familie en vrienden.

De structuur

Engelen vallen langzaam is al even uitdagend. Het is een theologische fantasie van 574 pagina's over de aard der engelen, die bestaat uit verschillende romans in verschillende genres. In het kernverhaal raakt de elfjarige Antinous Bellori gefascineerd door engelen nadat hij in een bos twee exemplaren heeft zien baden en jagen. Met de controversiële studie Over de aard der engelen wordt hij later een toonaangevend theoloog.

Wanneer hij na meer dan veertig jaar een hele troep engelen ontdekt, stelt hij een ontluisterende degeneratie vast — de engelen onderscheiden zich in niets meer van dieren.

We lezen in Engelen vallen langzaam niet rechtstreeks het traktaat van Bellori, maar worden erover onderhouden door een anonieme verteller. Die reconstrueert het betoog en het leven van Bellori in een cultuurhistorisch en theologisch discours over engelen, waarin hij ook langs Newton, Thomas van Aquino en Augustinusen een resem andere exegeten en filosofen fietst.

Ook het Oude Testament is een belangrijke bron voor de verteller. In zijn verhaal over engelen springt hij van de zondeval naar Lot en weer terug naar Ezekiel en drukt hij zijn eigen stempel op twee succesnummers uit de Bijbel: Kaïn en Abel en Noach en de zondvloed. In de laatste vijftig bladzijden treedt de hedendaagse verteller zelf op de voorgrond. Hij doet het troosteloze relaas van zijn worsteling met zichzelf en een niet nader genoemde last op een afgelegen eiland.

De ambitie

Knausgård mikt heel hoog: hij wilde een roman schrijven over het gedrag van mensen en de natuur van de engelen (die meteen ook de vraag naar het goddelijke impliceert). In zijn zoektocht naar het hoe en waarom van de engelen doet Bellori de verschrikkelijke ontdekking dat God dood is — mens geworden, als mens gestorven. Dat had dramatische gevolgen voor de engelen: ze bleven alleen achter op aarde en zijn door hun waanzinnige verdriet steeds verder gedegenereerd, of: langzaam gevallen.

Tijdens die degeneratie veranderen ze geregeld van vorm om zich aan hun omgeving aan te passen — dat is meteen de verklaring voor de opvallende evolutie van afbeeldingen van engelen in de hele cultuurgeschiedenis. Ze eindigen als opdringerige meeuwen in het Noorwegen van de twintigste eeuw, wat de verteller doet besluiten dat God dood is en niets nog zin of betekenis heeft.

Knausgård toont in dezelfde beweging ook aan dat het Oude Testament in de kern actueel is. Door bekende Bijbelverhalen over te zetten naar een 19de-eeuwse Noorse setting, benadrukt hij hun tijdloosheid: de cherubijnen bewaken de weg naar de boom des levens, maar de mensen wonen er aan fjorden, eten suikerspinnen en schieten met geweren op nefilim (wezens die half engel, half mens zijn).

De stijl

Engelen vallen langzaam is een staalkaart van de vele registers en stijlen die de schrijver beheerst. In de schitterende openingsscène, waarin Bellori een mierenhoop vernielt, benadert Knausgård de afgemeten onvermijdelijkheid van Reve in Werther Nieland, terwijl zijn essayistische uitweidingen herinneren aan Borges, en zijn allesomvattende systeembouw aan Mulisch. Met gemak manoeuvreert hij van erudiete theologische uitweidingen naar natuurbeschrijvingen en sfeerscheppingen tot bijna achteloze hertalingen van uitgewoonde Bijbelklassiekers — alleen de groten kunnen die vandaag nog spannend houden. In de zuiver theologische passages loert de pedanterie soms om de hoek, maar Knausgård laat nergens de vaart uit het verhaal verdwijnen.

Engelen vallen langzaam is een volstrekt unieke, uitdagende en complexe pageturner. Soms zijn hypes terecht.

Karl Ove Knausgård / Engelen vallen langzaam / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 574p / recensie 'Engelen vallen langzaam' gepubliceerd in De Standaard der Letteren


zondag 11 juli 2010

de italiaan - sven olov karlsson

In de wereldliteratuur wordt grosso modo op drie manieren gestorven. Het kan plots en onverwacht. Het kan met het grote gebaar en de fanfare, à la Bovary. Maar het kan ook zoals sommige helden van Stendhal, die niet zozeer sterven dan wel zich laten doodgaan. Ze zijn dermate verheven boven het leven dat ze het gewoon kunnen loslaten.

De Italiaan, het hoofdpersonage uit de debuutroman van Sven Olov Karlsson, past in de derde categorie. Dat hij sterft, komt allerminst als een verrassing — dat staat zo in de ondertitel: ‘Roman over de dood van een vader'. Hij aanvaardt wat komt, al is dat niet min: zijn aftakeling is even pijnlijk als lang. Het begint met een longtumor, door asbest, maar er komen ook gezwellen in de lymfeklieren en de hersenen.

Drank

De bal gaat aan het rollen als Peter, de oudste zoon van de Italiaan, van zijn moeder de opdracht krijgt uit te zoeken wat er met zijn vader aan de hand is. Peter ontdekt een verborgen drankvoorraad, maar alcohol blijkt het gevolg en niet de oorzaak van het probleem: de Italiaan drinkt in stilte tegen de paniek. De lijdensweg van de Italiaan loopt over pieken en dalen, van operaties over herstel naar nieuwe complicaties. Zijn vrienden dansen mee op dat ritme, maar uiteindelijk blijven ze allemaal weg.

Karlsson heeft die verhaallijn verweven met herinneringen aan de familiegeschiedenis en het leven van de Italiaan — die overigens gewoon Karl-Erik heet, maar nooit is losgekomen van de naam die hij kreeg vanwege zijn mediterraanse uiterlijk. Hij mocht niet studeren om geen afgunst op te wekken of hoogmoedig te worden; hij trouwde laat en kreeg twee zonen; hij werd een uitstekende monteur en boer, en stond voor iedereen klaar.

Tubanen

Plots gaat het snel. Wanneer de persoonlijkheid van de Italiaan wegslijt door de hersentumor is het tijd om nog snel dank te betuigen en ervoor te zorgen dat niets ongezegd blijft. Dan is er de dood. En dan de constructie, wanneer de mensen beginnen te bellen: ‘Met elk telefoontje wordt de beschrijving van vaders dood zuiverder en serener.'

Is de roman het meesterwerk dat de Zweedse pers ervan maakte? Niet helemaal. Het is veeleer een belofte. Karlsson heeft een monument opgericht voor een vader. Dat monument heeft stevige fundamenten, maar er scheelt nog iets met de ornamenten.

Karlsson schrijft allesbehalve klagerig — hij wisselt geregeld van register en zorgt tijdig voor luchtigheid. Maar het duurt even voor het verhaal echt op gang komt en de scènes met de buitenaardse wezens zijn overbodig. De Italiaan denkt, met zijn beschadigde hersenen, dat zijn lichaam overgenomen is door Tubanen, buitenaardse wezens.

Wat blijft er over? Het op een na mooiste boek over een stervende boer dat wij kennen — net iets minder uitgepuurd dan het negentig jaar oude De boer die sterft van Karel van de Woestijne. Maar Karlsson kan gerust zijn: het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.

Sven Olov Karlsson / De Italiaan / vertaling: Edith Sybesma / Prometheus / 320p / recensie 'De boer die sterft' gepubliceerd in De Standaard der Letteren

zondag 11 april 2010

ik vervloek de rivier des tijds - per petterson

Per Petterson is een oeuvrebouwer. De Noorse romancier, een literaire ereklasser sinds hij voor Paarden stelen in 2007 de prestigieuze internationale IMPAC-prijs kreeg, heeft de krijtlijnen van zijn fictieve universum minutieus afgebakend. Het ligt in Noorwegen en Denemarken en is bevolkt met arbeiders en jongeren met communistische sympathieën. Er wordt veel gelezen, en mensen reizen er met de ferry — tussen haakjes: de ouders en een broer van Petterson stierven in 1990 met 156 anderen in een brand op de Scandinavian Star ferry.

Het opvallendste kenmerk van de meeste romans van Petterson is een hoofdpersonage met de naam Arvid Jansen. ‘Hij is niet mijn alter ego, hij is mijn stuntman. Er overkomen hem dingen die mij hadden kunnen overkomen, maar niet overkomen zijn', zei Petterson daarover in een interview met The Guardian.

Al vroeg in Ik vervloek de rivier des tijds, de nieuwste Petterson, zit de 37-jarige Arvid Jansen op de ferry tussen Oslo en Jutland — het is 1989 en hij volgt in een opwelling zijn moeder, die na de diagnose van maagkanker naar haar geboortestreek terugkeert om het nieuws te verwerken. Arvid wil haar steunen, troosten en nog zoveel vertellen — dat hij gaat scheiden van zijn vrouw, om maar te beginnen.

Het verhaal wordt aangedreven door de herinneringen die losgeweekt worden door de terugkeer naar Jutland. Arvid denkt terug aan hoe het vroeger was, met vier broers samen, en later met drie, omdat één broer veel te vroeg gestorven is; hoe hij rotzooide met het buurmeisje, daarna een vriendin kreeg, en nu pijn in zijn borst voelt en dwangmatig zijn ogen dichtknijpt bij het idee van een scheiding; hoe hij een Mao-poster op zijn slaapkamer had, en als jonge fabrieksarbeider de communistische revolutie uitdroeg; hoe zijn moeder hem de liefde voor film en literatuur bijbracht, maar hem verder niet begreep, en hoe hij desondanks nog steeds constant naar haar aandacht hengelt; hoe hij eigenlijk al zijn hele leven twijfelt aan haar liefde en nooit iets aan zijn vader heeft gehad. Ik vervloek de rivier des tijds is het delicate portret van een moeder-zoonrelatie.

Wurggreep

Per Petterson houdt er nergens een rechtlijnige chronologie op na. Het heden en het verleden gaan naadloos in elkaar over, tot ze in hun versmelting de tijd lijken op te heffen. De enorme klasse van Petterson schuilt in de nauwgezetheid waarmee hij op zoek gaat naar het bepalende moment in het leven van zijn personage, en dan loodrecht afdaalt naar de bodem van die seconde.

Het begrip van die ene seconde is belangrijk om opnieuw met het leven verzoend te geraken. Maar dat is geen eenvoudige opgave: er moet zoveel verzoend worden, en de wereld davert zo hard op zijn grondvesten dat zelfs de Berlijnse Muur is gevallen.

Arvids tragiek is bovendien dat hij terugkeert naar een bepaalde plaats om een bepaalde tijd opnieuw te beleven — de tijd toen de beslissingen nog keuzes waren, kansen nog gegrepen konden worden, en alles nog mogelijk was. Hij probeert zijn waardigheid te behouden in een groots gevecht tegen de wurggreep van ruimte en tijd, terwijl hij ten volle beseft dat tijd, ook al denk je alles onder controle te hebben, in een onbewaakt ogenblik toch altijd door je vingers glipt.

Ik vervloek de rivier des tijds is een sobere, krachtige en nazinderende beschouwing over afscheid, verlies en herinnering van een gelouterd auteur op de top van zijn kunnen. Er lopen vele scheuren door het fictieve universum van Per Petterson, maar zolang hij die scheuren perfect gedoseerd blijft dempen met diepmenselijkheid, tederheid en mededogen, kunnen wij niet anders dan ze heel voorzichtig koesteren. Het grote idee uitwerken op de kleine ruimte: in die beperking toont zich hier de meester.

Per Petterson / Ik vervloek de rivier des tijds / vertaling: Paula Stevens / De Geus / 249p / recensie 'Scheuren dempen' gepubliceerd in De Standaard der Letteren

zondag 31 januari 2010

zuivering - sofi oksanen

Zuivering speelt in Estland in 1992. De oude Aliide Truu ziet op het erf van haar boerderij een hoopje mens liggen. Tegen haar argwaan in haalt ze het meisje binnen om haar te helpen. Ze heet Zara en zoekt een schuilplaats na een spectaculaire ontsnapping uit de klauwen van twee vrouwenhandelaars.

De ontmoeting tussen Aliide en Zara is het hoogtepunt van het verhaal; het gesprek tussen de twee legt de gebeurtenissen van de voorafgaande decennia bloot en wisselt af met overgeleverde brieven, documenten en flashbacks naar cruciale periodes in de Estse geschiedenis: de bezetting door de nazi's en de communisten in de jaren 40, de repressie en uiteindelijk de onafhankelijkheid na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991.
De krijtlijnen van het verhaal: op het einde van de jaren 1930 trouwt Aliides zus Ingel met de door Aliide aanbeden Hans Pekk. Terwijl Hans, die de Duitsers niet slecht gezind is geweest, na 1944 moet onderduiken voor de sovjetrepressie, trouwt Aliide zelf met de lokale communistische partijbons Martin Truu.

Om aan de deportatie te ontsnappen, helpt ze op een bescheiden schaal mee aan de sovjetisering van Estland. Wanneer ze, als insider, te horen krijgt dat haar zus en nichtje gedeporteerd zullen worden, waarschuwt ze hen niet.

Opportuun

Zara probeert aan de uitzichtloze armoede te ontsnappen door als barmeisje te werken, maar wordt zo door vrouwenhandelaars in de prostitutie gedwongen. Wanneer ze kan ontsnappen, vlucht ze naar Aliide, de zus van haar grootmoeder.

Hoewel Aliide zichzelf gered heeft ten koste van anderen en hoewel er alternatieven waren voor de keuzes die ze heeft gemaakt, is ze toch schaamteloos vrolijk over haar eigen redding. De realiteit geeft haar als overwinnaar gelijk: zij is diegene die de bezetting en vervolging het beste is doorgekomen.

Net als het werk van Aleksandr Solzjenitsyn, de man die de wereld attent maakte op het bestaan van de goelags, gaat Zuivering over de prijs die mensen betalen om te overleven in een repressief systeem. Waarden als eerlijkheid en integriteit zijn waardeloos of zelfs contraproductief als het erop aankomt je eigen hachje te redden.

Een roman met deze ingrediënten loopt algauw het risico drammerig of schematisch te worden, maar dat is met Zuivering allerminst het geval. De paranoia is voelbaar tussen de regels van deze bijzonder spannende, filmische en rijk gedocumenteerde tragedie.

Sofi Oksanen / Zuivering / vertaling: Marja-Leena Hellings / Anthos / 336p / recensie 'De overwinnaar heeft gelijk' gepubliceerd in De Standaard der Letteren

zaterdag 16 januari 2010

de bijbel van doré - torgny lindgren

Kent u de Brit Stephen Wiltshire? Hij is een savant die na een korte helikoptervlucht een stad uit het hoofd gedetailleerd kan reconstrueren.

Torgny Lindgrens naamloze verteller in De Bijbel van Doré heeft een vergelijkbaar talent. Hij reconstrueert op basis van zijn herinneringen de meer dan 200 paginagrote illustraties die de Franse kunstenaar Gustave Doré in 1866 bij de Bijbel maakte. De man lijdt aan alexie, waardoor hij nooit heeft kunnen leren lezen en schrijven, en werd daarom van kleins af bijzonder aangetrokken door de woordeloze Bijbel van Doré. Die reconstructie is hij als zijn levenswerk gaan beschouwen, nadat zijn vader hem zijn exemplaar heeft afgenomen. Omdat hij niet kan schrijven en zijn verhaal toch niet verloren wil laten gaan, spreekt hij het in op een bandrecordertje. De roman van Lindgren is daar de transcriptie van.

In dat uitgangspunt zitten drie cruciale aspecten van het oeuvre van Torgny Lindgren (1938), een grand old man van de Zweedse literatuur: een Bijbelse thematiek, de grote kracht van woorden en de onbedwingbare behoefte van de mens om verhalen te vertellen.

De Bijbel van Doré is het laatste deel van een trilogie, die voorts de romans Het ultieme recept en Hommelhoning bevat, maar het past ook naadloos in de rest van Lindgrens oeuvre. Hij gebruikt het ruwe, door eenvoudige oerfiguren bevolkte landschap van Noord-Zweden als decor voor zijn uitgezuiverde thematiek van leven, dood, liefde, verraad en geloof.

De verteller begint zijn levensverhaal met zijn alexie. Omdat hij niet kan lezen, belandt hij in een tehuis voor onnozelen, hoewel er met zijn intelligentie weinig mis is. Hij heeft er de ruimte en de tijd om uit zijn geheugen illustratie na illustratie van Doré na tekenen. Dat is een titanenwerk, want in de Bijbel zit stof voor een heel leven, en de som van alle tekeningen van de Bijbel is God zelf. Wat de man weet en doet, heeft hij uit die Bijbel gehaald.

Mensen komen, mensen gaan, maar altijd blijft de verteller doorwerken, ook na de laatste tekening, want ‘als je je levenswerk hebt voltooid, dan is werken de enige troost die je rest'. Door allerlei jobs aan te nemen probeert hij ‘op zinnige en passende wijze de tijd te verdrijven', terwijl hij afwacht tot hij terugkrijgt wat hij is kwijtgeraakt en wat zijn leven zo heeft bepaald: de Bijbel van Doré.

De Bijbel van Doré is een oefening in berusting. De verteller aanvaardt het leven door het onvoorwaardelijke geloof in de genade, het besef van het ondoorgrondelijke van het geschapene en het belang van vertellen. Door verhalen te vertellen kan de mens de wereld proberen te begrijpen en in het beste geval zelfs enigszins beheersen. Dat klinkt ernstig, maar Lindgren bouwt genoeg ironische afstand in om alles verteerbaar te houden. Hij is de meester van de relativerende aforismen en hij haalt enkele prima grappen uit.

‘Niets mag irrelevant of duister zijn', legt Lindgren een journalist in de mond — dat is ook het uitgangspunt van de schrijver zelf. Torgny Lindgren is een stilist die veel schrapt in de overtuiging dat hij zo dat wezenlijke kan ontsluieren.

Torgny Lindgren / De Bijbel van Doré / vertaling: Lia van Strien / De Geus / 250p / recensie 'De Bijbel van Doré' gepubliceerd in De Standaard der Letteren