Posts tonen met het label knausgård. Alle posts tonen
Posts tonen met het label knausgård. Alle posts tonen

maandag 18 november 2013

nacht - karl ove knausgård

Amper enkele pagina’s ver in Nacht, het vierde deel van de zesdelige romancyclus Mijn strijd van Karl Ove Knausgård, krijgt het hoofdpersonage, de achttienjarige Karl Ove Knausgård, na een vluchtige blik van een mooi, blond meisje van een jaar of zestien, een erectie op de bus. Karl Ove zit links, op de op een na achterste plaats, naar het indrukwekkend desolate landschap te kijken, en het meisje zit schuin aan de andere kant van het middenpad. Maar Karl Ove stapt af in Håfjord, het meisje blijft zitten, en dat is dat.
De passage doet denken aan het fascinerende dagboek van de voormalige Engelse radioproducer Karl Pilkington, waar Ricky Gervais in een podcast fragmenten uit voorlas. Gervais hoopte op een nieuwe Samuel Pepys, maar kreeg vooral weinigzeggende notities over willekeurige voorbijgangers, Pilkingtons onvermogen tot romantiek, zijn nutteloze dagen en knettergekke uitvindingen te lezen. ‘Echt alles staat in het dagboek’, lachte Gervais. ‘Ik kijk uit naar het moment dat je schrijft: ingeademd, weer uitgeademd.’
Die vergelijking is oneerlijk en zelfs vilein ten opzichte van Knausgård, want het meisje speelt verder nog een kleine rol in het verhaal, Mijn strijdis geen komisch project en Knausgård is een verschrikkelijk getalenteerd schrijver, maar ze illustreert wel de strekking van Nacht, dat volledig in het verlengde ligt van Zoon, het derde deel: de schrijver wijdt tot in de kleinste details uit over zijn jeugd, wisselt relevante en noodzakelijke anekdotes af met veel mindere, en schaamt zich niet.
Na respectievelijk zijn vader, zijn huwelijk en zijn kindertijd behandelt Knausgård in Nacht zijn vormingsjaren tussen zestien en negentien jaar. Het zwaartepunt is het schooljaar dat hij, pas afgestudeerd op de middelbare school, naar het afgelegen Noord-Noorse Håfjord trekt om daar een jaar les te geven.
Projecties
Zijn droom blijft: debuteren als schrijver, in een grote stad wonen, schrijven, drinken, leven, en ‘een mooie, slanke, atletische vriendin hebben met donkere ogen en grote borsten’. Na de uren schrijft hij aan verhalen die later hun weg vinden naar zijn onvertaalde debuut en naar Engelen vallen langzaam. Omdat alcohol hem ‘een sterk gevoel van vrijheid en geluk’ geeft, drinkt hij zich geregeld een slag in de rondte. Alleen met de vrouwen worstelt hij.
Knausgård doet er ook na die vroege erectiescène verder niet flauw over: het zijn de jaren van zijn geilheid. Voortdurend is hij op zoek naar een meisje dat hem wil ontmaagden. Dat de meisjes (ruim) minderjarig zijn of in zijn klas in Håfjord zitten, is geen onoverkomelijk probleem, al beseft hij dat hij het risico loopt gek te worden of in de gevangenis te belanden terwijl hij kijkt naar ‘het slanke, vaste achterste, zo volkomen perfect gevormd’ van een leerlinge. Dat hij de koning van de vroegtijdige zaadlozing is, beperkt hem veel meer in zijn queeste.
Knausgård twijfelt in Nacht voor het eerst aan het waarheidsgehalte van wat hij vertelt. Sommige herinneringen zouden wel eens projecties kunnen zijn uit dromen of romans, om zichzelf op die manier centraal te kunnen stellen in het verhaal. Waar een bepaalde graad van emotioneel (en seksueel) exhibitionisme in de eerste delen van Mijn strijd een nevenproduct was, een prijs die Knausgård moest betalen voor zijn literair project, lijkt dat in Nacht voor het eerst een doel, een bewuste constructie. Er zijn opvallende parallellen te trekken met het vorig jaar verschenenWinterlogboek van Paul Auster, dat evenzeer vol onbelangrijke details stond en een bepaald gênante constructie over het eigen lichaam was. Het verschil: waar Auster zijn seksuele verleden verheerlijkt, schrijft Knausgård zichzelf sardonisch de grond in.
Zinloos
Het past voor Knausgård in zijn ambitie om een groot schrijver te worden, om de wereld wat te laten zien. En die alomtegenwoordige ambitie is, samen met zijn vitalistische appetijt in het leven, zijn besluit om, in het volle besef van de zinloosheid van alles, vooral de beker van het zinloze tot op de bodem te ledigen, het interessantste aspect van Nacht.
Nacht is beter dan Zoon, het vorige deel, omdat Knausgård een (intellectueel) interessantere leeftijd heeft, maar minder interessant danVader en Liefde, omdat zijn reikwijdte beperkter is, zijn onnavolgbare essayistische uitwijdingen nagenoeg ontbreken en het nieuwe er intussen ook wel een beetje van af is. Nacht is als Vrijheid van Franzen en 1Q84van Murakami: een prima geschreven, bovengemiddeld entertainend verhaal van een superieure schrijver dat weliswaar schijnbaar eindeloos kan doorgaan, maar waaruit helaas, vooral aan lezerszijde, de urgentie stelselmatig verder verdampt.

Karl Ove Knausgård / Nacht / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 478p / gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 18/10/2013

donderdag 15 augustus 2013

zoon - karl ove knausgård

Knausgård is de laatste tijd niet weg te denken uit de literaire actualiteit, en dat blijft nog wel even zo. Na het unieke Engelen vallen langzaam begon hij aan de romancyclus Mijn strijd . Nadat de sterauteur in Vader had geschreven over de traumatiserende dood van zijn vader en in Liefde over zijn getroebleerde gezinsleven, behandelt hij in Zoon zijn kindertijd.
Vanaf de eerste pagina is dit boek vintage Mijn strijd : het eigen leven als onderwerp, een bijna obsessieve documentatiedrang en geregeld een essayistische uitwijding. Hij beschrijft, in groter detail dan noodzakelijk is, hoe zijn vader, moeder, broer en hijzelf als baby van acht maanden in de zomer van 1969 vanuit Oslo aankomen in een nieuwbouwwijk op het Zuid-Noorse eiland Tromøya. Hij lardeert die episode met zijn visie op de Noorse maatschappij-opbouw na de Tweede Wereldoorlog. Als eerste generatie moesten zijn ouders hun leven zien te ordenen tijdens de grootscheepse centralisatiebeweging van de overheid.

Angst
‘Ik hoef alleen maar in gedachten de deur open te doen en naar buiten te stappen en de beelden stromen me al tegemoet', schrijft Knausgård. Voor zijn zesde heeft hij alles alleen van horen zeggen, maar daarna komen zijn herinneringen in gulpen naar buiten: zijn angsten en weinige vrienden, zijn kwajongensstreken en scabreuze avonturen, zijn christelijke inspiratie, zijn liefde voor The Beatles en voetbal, zijn punkgroepje Bloedprop, zijn groeiende verlangen naar meisjes. Naar goede gewoonte ontziet hij zichzelf allerminst: ‘Mijn hele wezen, mijn preoccupatie met kleren, mijn lange wimpers en mijn zachte wangen, mijn betweterige gedrag en slecht verholen goede schoolprestaties waren in principe reden genoeg voor een prepuberale ramp.'
Daarbij komt nog een zware slagschaduw. In Vader was de slechte relatie van vader Knausgård met zijn twee zonen al toegelicht, maar hier wordt alles pijnlijk uitvoerig geduid: diens onbegrip, woede, kilheid, talent voor vernedering en fysieke aanwezigheid vervullen de kleine Karl Ove van angst. Meer zelfs, hij haatte hem. ‘Ik kon me met geen mogelijkheid op hem wreken. Behalve in mijn gedachten en in mijn fantasie, die zo geprezen werd, daar kon ik hem kapotmaken', schrijft hij. Om te ontsnappen, fantaseert hij over de dood. Zijn moeder redt hem: ‘Als zij er niet geweest was, dan was ik alleen met papa opgegroeid, en dan zou ik mezelf vroeger of later op de een of andere manier om zeep gebracht hebben.'
De sleutelvraag van Zoon is waarom Knausgård zo diep blijft ingaan op zijn verleden. Hij gelooft dat hij, als hij maar diep genoeg in zichzelf woelt, universele waarheden zal vinden. Daarin is Knausgård onvermoeibaar, in die mate dat het hem onmogelijk lijkt om dingen weg te laten – de boerderij van zijn grootouders, bijvoorbeeld, beschrijft hij absurd gedetailleerd. Door de alledaagsheid zo radicaal door te trekken, verheft Knausgård ze tot de kwintessens. Eerlijkheid is daarbij van groot belang – of beter: eerlijkheid als intentie, want hij beseft als geen ander dat voor het geheugen niet de waarheid het hoogste goed is, maar het eigenbelang.
Toch is, op de haat voor zijn vader na, het overheersende gevoel in Zoon niet die kenmerkende mengeling van verdriet, ergernis en woede. Het boek is doordesemd van geluk, verwondering en verlangen. De jonge Knausgård groet 's morgens de dingen, en ontdekt altijd wel iets nieuws. De schrijver vat meesterlijk de schijnbare eindeloosheid van het alledaagse, zo eigen aan de kindertijd.
Knausgård is een auteur voor wie het onderwerp niet zo belangrijk is: hij fascineert bijna altijd, ondanks het gebrek aan spanning, humor en sensatie. Zijn radicale programma, de vernieuwing van de literatuur en het einde van de fictie, blijft moeiteloos overeind, op een manier die na al die honderden pagina's nog steeds moeilijk te verklaren valt. Hij blijft verder zoeken naar een nieuwe vorm voor een ambitieuze nieuwe taal: een versmelting van plotloze fictie en gereconstrueerde non-fictie. Zoon is prachtig, maar Knausgård heeft ons verwend gemaakt, en Vader en Liefdezijn gewoon beter.


Karl Ove Knausgård / Zoon / vertaling: Paula Stevens / De Geus / 443p / gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 22 maart 2013


zaterdag 15 september 2012

liefde - karl ove knausgård


Toen de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård een manier zocht om over zijn vader te schrijven, vond hij die in de autobiografie. Na de 445 pagina's van Vader (DSL, 16/12/2011), met als climax diens dood, bleef Knausgård als bezeten verder schrijven. Er volgden nog vijf delen, die hij met een provocerende verwijzing naar Adolf Hitler bundelde in de romancyclus Mijn strijd (in het Noors: Min kamp). Het werd in Noorwegen een nooit geziene bestseller, die maandenlang de publieke opinie beroerde: Knausgård voert familie en vrienden onder hun echte naam op en verbloemt niets. Het tweede deel is nu vertaald als Liefde.

De mijlpalen in Liefde laten zich makkelijk samenvatten: Knausgård breekt zijn relatie af, verhuist van Bergen naar Stockholm, ontmoet zijn vriend Geir, wordt verliefd op Linda, krijgt kinderen en relatieproblemen, en verhuist naar Malmö. Hij wil schrijven, maar de alledaagsheid van het leven zit in de weg. Meer verhaallijn is er nauwelijks. Wat maakt Liefde dan toch zo verslavend?

Charlie Chaplin
Om te beginnen is er de elegante verhaalstructuur, die herinnert aan Proust, wiens graf Knausgård in Liefde bezoekt. Het boek is opgebouwd aan de hand van herinneringen die niet chronologisch, maar associatief geordend zijn. Hij ervaart zijn herinneringen niet zozeer ‘in de vorm van concrete gebeurtenissen, meer van stemmingen, geuren, gewaarwordingen'. Die structuur leent zich prima voor zijn weifelende zoektocht naar een bestemming in het leven, zowel geografisch (Zweden) en fysiek (Linda) als mentaal (schrijven). Als hij beweert dat amper twee factoren zijn leven bepalen, ‘mijn vader en dat ik nooit ergens thuis had gehoord', dan gaat Liefde over de tweede, Vader over de eerste factor.

Daarnaast gebruikt Knausgård de herinneringen vooral als aanknopingspunten voor een stroom aan erudiete cultuurfilosofische beschouwingen, zoals hoe de 17de eeuw de spil is van de westerse geschiedenis, hoe Kiefer in zijn schilderijen de wereld vat in enkele bomen, hoe Chaplin in zijn films kiemen van hoop voor de mensheid zaait. Het past allemaal in Knausgårds intellectuele zoektocht naar patronen in het leven, naar houvast. Zijn reikwijdte is ongeëvenaard in de hedendaagse literatuur.

Bovendien probeert hij inzicht te krijgen in de spanning tussen leven en literatuur. Waarom laat hij na de geboorte van zijn kind zijn gezin vallen om in een manische bui te schrijven aan wat zijn doorbraakroman Engelen vallen langzaam zal worden?

Het antwoord is ontluisterend: voor Knausgård heeft het leven hier en nu geen waarde. Altijd verlangt hij naar iets anders, naar het wezenlijke, de ‘kern van het menselijke bestaan'. Door te schrijven, kan hij daarnaar op zoek gaan. Het geeft zijn leven zin en bedwelmt hem, maar het heeft een zware prijs: hij plaatst de literatuur boven het leven. Hoe groot zijn liefde voor Linda en zijn kinderen ook is. Die radicale eerlijkheid en ernst zijn heroïsch. Voor ironie is overigens geen plaats in Liefde – een verademing in de overvloed van tragikomische Scandinavische romans.

Pervers genoegen
Ten slotte is er ook nog het sensationele schrijftalent van Knausgård. Zijn stijl is onweerstaanbaar, zelfs in passages over onbenulligheden als kreeft bereiden, de buggy duwen en hardlopen. Bovenal is hij een meester van de ontroering. ‘Jij kunt mensen zover krijgen dat ze met tranen in de ogen twintig pagina's over een bezoek aan de wc lezen', laat hij zijn vriend Geir zeggen. ‘Puur en alleen een kwestie van techniek', antwoordt hij.

Dat Liefde wel literatuur is, maar geen fictie, is allesbehalve toeval. Knausgård beschrijft hoe hij zich realiseerde dat wat verzonnen is, eigenlijk geen waarde heeft. Zijn alternatief is: ‘Dagboeken en essays, datgene in de literatuur wat niet om een verhaal ging, niet over iets ging, maar slechts uit een stem bestond, de stem van de eigen persoonlijkheid, een leven, een gezicht, een blik die je kon ontmoeten.' Knausgårds stem en blik hypnotiseren van de eerste pagina tot de laatsteHij heeft zichzelf in Liefde nietsontziend uitgeschreven, hij heeft van zijn leven een kunstwerk gemaakt, in een krankzinnig, maar fantastisch literair project. Om Liefde te lezen, hebt u Vader niet eens nodig. Laat u ook niet afschrikken door die 686 bladzijden. Die overvloed geeft een bijna pervers genoegen: in een tijd waarin niemand nog tijd heeft om te lezen, is het een kostbare luxe te kunnen zwelgen in schier eindeloze, superieur geschreven pagina's. En daarna? Dan is het wachten op deel drie.

Karl Ove Knausgård / Liefde / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 686p / gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 7 september 2012

zaterdag 24 december 2011

vader - karl ove knausgård

In het autobiografische en pijnlijk eerlijke Vader probeert de Noor Karl Ove Knausgård de dood van zijn vader te verwerken. De schrijver klokt af op een kloeke 445 pagina's. Het is daarmee een van de dunste boeken van zijn zes delen en 3.400 pagina's tellende romancyclus Mijn strijd. Hoofdonderwerp: het leven van de schrijver en de dood van zijn vader. Het leven dat het boek beschrijft is bijna doordeweeks, maar het relaas bepaald ambitieus en verslavend.
'Ik herinnerde me nauwelijks gebeurtenissen uit die tijd. De omgeving waarin ze plaatshadden, herinnerde ik me wel. Alle plekken waar ik was geweest, alle vertrekken waarin ik me had opgehouden, herinnerde ik me. Maar niet wat er was gebeurd', schrijft Knausgård. Hij kanaliseert zijn niet-aflatende stroom herinneringen via intuïtie en associatie.

Tussen de praktische vereisten van een leven met een zwangere vrouw en kleine kinderen door, probeert Knausgård te schrijven, maar hij is rusteloos. Geregeld onderbreekt hij zijn herinneringen voor uitweidingen over wat er toe doet: drank, dood, schoonheid, het goede vaderschap, kunst, taal, muziek, schrijven en, natuurlijk, meisjes.

In de tweede helft van het boek reizen Knausgård en zijn broer naar hun oma in Kristiansand, voor de begrafenis van hun vader. Knausgård beschrijft gedetailleerd en rauw zijn gevoelens. Hij huilt veel, maar lijkt niets te verwerken. Het huis blijkt een onleefbaar stort vol lege flessen en hun oma is incontinent, maar ze ruimen alles op. Het is een prima metafoor voor Knausgårds existentiële zoektocht. Want ondanks de monumentale dimensies van zijn proza zit er spaarzaamheid in, en beoogt hij er niet minder dan de essentie van het leven mee. Daarvoor moet hij mentaal puin ruimen, in omzwervingen die soms richtingloos lijken, maar dat nooit zijn.

Knausgårds unieke observatievermogen, brede blik en hypnotiserende vertelkracht geven zijn hoogstpersoonlijke verwerkingsproces een universele waarde. Vader is een mijlpaal in de autobiografische fictie, het werk van een fantastisch schrijver.
 
Karl Ove Knausgård / Vader / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 445p / recensie gepubliceerd in De Standaard der Letteren van 16/12/2011

'Ik ben een stripfiguur in mijn eigen leven' - interview met Karl Ove Knausgård

Karl Ove Knausgård schreef een autobiografische romancyclus van 3.400 bladzijden, Min Kamp. Het eerste deel, Vader, werd onlangs in het Nederlands vertaald. Een gesprek met de controversiële Noor over outsiders, de kracht van de literatuur en nietsontziende eerlijkheid.

Karl Ove Knausgård (1968) is de koning van de onwaarschijnlijke bestseller. In 2004 was zijn op het eerste gezicht onverkoopbare theologische roman over engelen, Kaïn en Abel en Noach een bescheiden hype. De veeleisende, maar overdonderende roman werd vorig jaar in het Nederlands vertaald als Engelen vallen langzaam (DSL 26/11/2010).
Na vijf jaar stilte publiceerde Knausgård het eerste boek van een romancyclus met de uitdagende titel Min Kamp (Mijn strijd). Het won de prestigieuze Brageprijs en de Noorse minister van Cultuur, Anniken Huitfeldt, noemde het 'het beste verhaal over onze generatie'. Wat volgde, was een naar Noorse normen ongeziene literaire sensatie: honderdduizenden verkochte exemplaren en gevallen van milde hysterie waar de schrijver opdook. Dat eerste boek uit de cyclus is nu vertaald als Vader.
Tijdens het interview is de schuchtere Knausgård ontspannen. De dag erna wordt in Noorwegen het zesde en laatste boek van Mijn strijd gepubliceerd, maar hij hoeft er niet bij te zijn.Onvermijdelijk zou dat weer heisa veroorzaken, want het onderwerp van zijn romancyclus is controversieel: Karl Ove Knausgård zelf.
Familieleden en vrienden zijn allerminst geamuseerd door wat ze in uw autobiografisch werk als een schending van hun privacy beschouwen.
'Ik ben blij dat ik deze boeken heb geschreven, maar ik ben niet blij dat ik een stripfiguur ben geworden in mijn eigen leven. Ik zag dit niet aankomen. Ik beschouwde het als een experiment in realistisch proza, en dacht dat niemand geïnteresseerd zou zijn, zelfs mijn uitgever niet, omdat het zo privé is.'
'Ik hield er niet van om over mezelf te schrijven. Elke dag is een strijd geweest, maar ik denk dat er iets interessants in zit, iets dat te maken heeft met de grens tussen literatuur en leven. Ik zou het dus opnieuw doen, maar dan het liefst zonder de roem. Dat zou beter zijn.'
'Vader' gaat vooral over uw vervreemding van uw vader, die met een alcoholprobleem worstelde. Was zijn dood de ultieme aanleiding voor het boek?
'Ja. Daar wilde ik over schrijven. Niet zozeer over de dood zelf, maar over zijn dood. De collectieve verdringing van de dood door de maatschappij, waar ik ook over schrijf, is veeleer een metafoor voor andere dingen waar we niet over spreken. Dat onderdrukkingsmechanisme interesseert me. Iedereen heeft wel een alcoholicus in de familie. De ziektes, de schaamte: het bestaat overal. Alleen, er bestaat in de maatschappij geen manier om daar open over te zijn. In een roman kan dat wel.'
Het autobiografische 'Vader' lijkt niet voortgekomen uit een gebrek aan inspiratie, maar veeleer omdat u iets uit de weg wilde hebben om daarna verder te kunnen.
'De reden dat ik het niet als fictie schreef, is dat het niet werkte. Ik probeerde een verhaal over mijn vader te schrijven, drie of vier jaar na zijn dood, maar het lukte niet. Vervolgens schreef ik wat over mezelf, kleine stukjes, en zo begon het project, op een heel kleine schaal.'
 


Constructie van het zelf
Knausgårds bezwerende poging om via literatuur tot de kern van het leven door te dringen, vereiste een nietsontziende eerlijkheid. Vader is dan ook pijnlijk intiem. Als zijn vrouw hoogzwanger is, geeft hij toe dat hem dat niet bezighoudt. Na de dood van zijn vader legt hij uit hoe hij zijn onderbewustzijn probeert te manipuleren om hem zich alsnog positief te kunnen herinneren.
Kan het succes van het boek te maken hebben met de door sociale media gedomineerde tijdsgeest, waarin iedereen via 'status updates' de details van zijn leven prijsgeeft?
'Het boek en de sociale media hebben allebei te maken met de constructie van het zelf. Maar het succes van Mijn strijd heeft vooral te maken met herkenning, denk ik. Ik krijg brieven van uiteenlopende mensen die me hun eigen verhalen vertellen. Als je echt eerlijk probeert te zijn, voelen mensen zich daarmee verbonden. Bovendien is het hele project natuurlijk sensationeel.'
Helpt het succes u om de moeilijke balans te vinden tussen gezond zelfvertrouwen en nietsontziende zelfkritiek, waarover u in uw boek schrijft?
'Ik ben niet meer zo verlegen als vroeger bij journalisten of op een podium, maar in mijn privéleven is alles nog hetzelfde. Ik ben nog steeds hongerig naar appreciatie, maar die honger is onmogelijk te stillen. Hoe goed of hoe slecht het ook is: ik weet wat dit boek waard is. Ik probeerde zo snel te schrijven als ik kon om van mijn zelfkritiek weg te geraken. Daarin ben ik geslaagd, denk ik. Het resultaat lijkt behoorlijk, maar dat kon me niets schelen. Wat is uiteindelijk goede literatuur? Het is niet: goede zinnen. Het is iets anders. Lawrence Durrell (schrijver van 'The Alexandria quartet', red.) zei over schrijven: “Je moet jezelf een doel stellen, en dan ga je daarheen in je slaap". Ik denk dat het zo is.'
'Vader' is ook een affirmatie van de kracht van literatuur, de bevestiging dat elk leven waarde en belang kan krijgen.
'Dat is waar Mijn strijd om draait. Vaak dacht ik: dit is te klein, dit is te onbeduidend. Maar op hetzelfde moment weet ik ook: dit is ons leven.'
En waarover zou literatuur anders moeten over gaan dan over het leven?
'Dit boek is niet het verhaal van mijn leven, maar van een existentiële zoektocht naar betekenis. Wie in die richting gaat, passeert religie, mystiek, alles dat buiten de taal ligt. Dat ik daar in literatuur kan naar zoeken, is een van de redenen waarom ik schrijf.'
U schrijft uitvoerig over kunst in essayistische uitweidingen. In schilderijen zoekt u zuiverheid, schoonheid, oneindigheid. Geldt dat ook voor literatuur?
'Nee, literatuur en plastische kunst zijn verschillende dingen. Ik beschouw mezelf als een intuïtief schrijver. Mijn intuïtie leidt me ergens heen, en dan begint het analytische gedeelte. Ik zie geen letters, alleen beelden. Ik denk dat ik daarom zo naar schilderijen wordt getrokken, vooral naar existentiële schilders als Anselm Kiefer, Gerhard Richter, en de enigmatische, schizofrene Lars Hertevig.'
 


Hitler en Breivik
Vader is veel meer dan een hyperrealistisch, autobiografisch project. Knausgård beschouwt het schrijven als een manier om zijn verlangen naar beheersing te stillen. Maar de bevrediging van dat verlangen betekent meteen ook het einde van de literatuur, want ze impliceert dat de toekomst niet bestaat. Zonder toekomst geen utopie of literatuur, die altijd nauw met de utopie verbonden is geweest.
Wat u probeert te doen, is 'fictie met fictie bestrijden' om de utopie te vrijwaren. Het deed me denken aan Anders Breivik.
'Ik heb daarover geschreven in het laatste boek van Mijn strijd, in een essay van vierhonderd pagina's. Omdat ik de naam van mijn vader niet mocht gebruiken in Vader, raakte ik gefascineerd door de kracht van namen. Via Paul Celan, die in zijn laatste gedichten geen namen meer gebruikt, ga ik naar Hitlers Mein Kampf en Breiviks manifest. De opvallendste overeenkomst tussen die twee teksten is dat er geen “jij" is, alleen “ik", “wij" en “zij". Terwijl tussen het zelf en een “jij" net de ruimte ligt voor de roman.'
'Op het eiland Utøya zei iemand tegen Breivik: “Je mag me niet vermoorden". Dat was een jij, een gezicht, ogen. Hij overleefde. Dat heeft te maken met taal, hoe de maatschappij taalkundig is gestructureerd en wat het betekent om buiten de maatschappij te staan. Breivik stond erbuiten en werd dus niet gecontroleerd en gecorrigeerd. Ook de schrijver draait zich weg van de maatschappij. Dat interesseert me heel erg.'
Omdat Breivik zichzelf zag als utopisch schepper?
'Inderdaad, net als Hitler. God zei tegen Abel: “Waarom kijk je naar beneden? De zonde zal je bekruipen, en bovendien zie je dan de ander niet,. Maar Abel richt zich niet op en wordt door Kaïn vermoord. Dat zegt iets over wat het betekent binnen of buiten de maatschappij te staan, wat het is om jezelf te zijn. Daar gaat ook Mijn strijd over. De grenzen van de maatschappij zijn erg duidelijk - ik voel het in mijn lichaam als ik ze overschrijd. Als ik onmenselijk was, zou ik volledig eerlijk kunnen zijn; wie menselijk is, kan dat niet. De minuut dat Breivik beseft wat hij gedaan heeft, moet hij zelfmoord plegen.'
'Ik zie parallellen: hij en ik zaten in ons eentje te schrijven, sommige onderwerpen zijn dezelfde, onze culturele achtergrond ook. Hoe kon hij dat in godsnaam doen? Elke Noor moet die vraag voor zichzelf beantwoorden.'
Welk project komt er nu aan, na deze monumentale cyclus van 3.400 bladzijden?
'Er komen geen projecten meer aan, tenzij essays. Erkenning kan ook corrumperen, want ik moet ermee omgaan, en goed proza schrijven na dit. Nu heb ik een publiek, en dat moet ik proberen tevreden te stellen. Dat is nieuw voor mij.'
Interview gepubliceerd in Standaard der Letteren van 16/12/2011.

zondag 28 november 2010

engelen vallen langzaam - karl ove knausgård

Karl Ove Knausgård (1968) is een literaire sensatie in Noorwegen. Al twee jaar houdt hij het land in de ban met zijn zesdelige — gefictionaliseerde — autobiografie Min Kamp. De lezers zijn gebiologeerd door het drieduizend bladzijden tellende boek met zijn provocerende titel en door Knausgårds verregaande exploraties van het privéleven van zijn vrouw, familie en vrienden.

De structuur

Engelen vallen langzaam is al even uitdagend. Het is een theologische fantasie van 574 pagina's over de aard der engelen, die bestaat uit verschillende romans in verschillende genres. In het kernverhaal raakt de elfjarige Antinous Bellori gefascineerd door engelen nadat hij in een bos twee exemplaren heeft zien baden en jagen. Met de controversiële studie Over de aard der engelen wordt hij later een toonaangevend theoloog.

Wanneer hij na meer dan veertig jaar een hele troep engelen ontdekt, stelt hij een ontluisterende degeneratie vast — de engelen onderscheiden zich in niets meer van dieren.

We lezen in Engelen vallen langzaam niet rechtstreeks het traktaat van Bellori, maar worden erover onderhouden door een anonieme verteller. Die reconstrueert het betoog en het leven van Bellori in een cultuurhistorisch en theologisch discours over engelen, waarin hij ook langs Newton, Thomas van Aquino en Augustinusen een resem andere exegeten en filosofen fietst.

Ook het Oude Testament is een belangrijke bron voor de verteller. In zijn verhaal over engelen springt hij van de zondeval naar Lot en weer terug naar Ezekiel en drukt hij zijn eigen stempel op twee succesnummers uit de Bijbel: Kaïn en Abel en Noach en de zondvloed. In de laatste vijftig bladzijden treedt de hedendaagse verteller zelf op de voorgrond. Hij doet het troosteloze relaas van zijn worsteling met zichzelf en een niet nader genoemde last op een afgelegen eiland.

De ambitie

Knausgård mikt heel hoog: hij wilde een roman schrijven over het gedrag van mensen en de natuur van de engelen (die meteen ook de vraag naar het goddelijke impliceert). In zijn zoektocht naar het hoe en waarom van de engelen doet Bellori de verschrikkelijke ontdekking dat God dood is — mens geworden, als mens gestorven. Dat had dramatische gevolgen voor de engelen: ze bleven alleen achter op aarde en zijn door hun waanzinnige verdriet steeds verder gedegenereerd, of: langzaam gevallen.

Tijdens die degeneratie veranderen ze geregeld van vorm om zich aan hun omgeving aan te passen — dat is meteen de verklaring voor de opvallende evolutie van afbeeldingen van engelen in de hele cultuurgeschiedenis. Ze eindigen als opdringerige meeuwen in het Noorwegen van de twintigste eeuw, wat de verteller doet besluiten dat God dood is en niets nog zin of betekenis heeft.

Knausgård toont in dezelfde beweging ook aan dat het Oude Testament in de kern actueel is. Door bekende Bijbelverhalen over te zetten naar een 19de-eeuwse Noorse setting, benadrukt hij hun tijdloosheid: de cherubijnen bewaken de weg naar de boom des levens, maar de mensen wonen er aan fjorden, eten suikerspinnen en schieten met geweren op nefilim (wezens die half engel, half mens zijn).

De stijl

Engelen vallen langzaam is een staalkaart van de vele registers en stijlen die de schrijver beheerst. In de schitterende openingsscène, waarin Bellori een mierenhoop vernielt, benadert Knausgård de afgemeten onvermijdelijkheid van Reve in Werther Nieland, terwijl zijn essayistische uitweidingen herinneren aan Borges, en zijn allesomvattende systeembouw aan Mulisch. Met gemak manoeuvreert hij van erudiete theologische uitweidingen naar natuurbeschrijvingen en sfeerscheppingen tot bijna achteloze hertalingen van uitgewoonde Bijbelklassiekers — alleen de groten kunnen die vandaag nog spannend houden. In de zuiver theologische passages loert de pedanterie soms om de hoek, maar Knausgård laat nergens de vaart uit het verhaal verdwijnen.

Engelen vallen langzaam is een volstrekt unieke, uitdagende en complexe pageturner. Soms zijn hypes terecht.

Karl Ove Knausgård / Engelen vallen langzaam / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 574p / recensie 'Engelen vallen langzaam' gepubliceerd in De Standaard der Letteren