Zuivering speelt in Estland in 1992. De oude Aliide Truu ziet op het erf van haar boerderij een hoopje mens liggen. Tegen haar argwaan in haalt ze het meisje binnen om haar te helpen. Ze heet Zara en zoekt een schuilplaats na een spectaculaire ontsnapping uit de klauwen van twee vrouwenhandelaars.
De ontmoeting tussen Aliide en Zara is het hoogtepunt van het verhaal; het gesprek tussen de twee legt de gebeurtenissen van de voorafgaande decennia bloot en wisselt af met overgeleverde brieven, documenten en flashbacks naar cruciale periodes in de Estse geschiedenis: de bezetting door de nazi's en de communisten in de jaren 40, de repressie en uiteindelijk de onafhankelijkheid na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991.
De krijtlijnen van het verhaal: op het einde van de jaren 1930 trouwt Aliides zus Ingel met de door Aliide aanbeden Hans Pekk. Terwijl Hans, die de Duitsers niet slecht gezind is geweest, na 1944 moet onderduiken voor de sovjetrepressie, trouwt Aliide zelf met de lokale communistische partijbons Martin Truu.
Om aan de deportatie te ontsnappen, helpt ze op een bescheiden schaal mee aan de sovjetisering van Estland. Wanneer ze, als insider, te horen krijgt dat haar zus en nichtje gedeporteerd zullen worden, waarschuwt ze hen niet.
Opportuun
Zara probeert aan de uitzichtloze armoede te ontsnappen door als barmeisje te werken, maar wordt zo door vrouwenhandelaars in de prostitutie gedwongen. Wanneer ze kan ontsnappen, vlucht ze naar Aliide, de zus van haar grootmoeder.
Hoewel Aliide zichzelf gered heeft ten koste van anderen en hoewel er alternatieven waren voor de keuzes die ze heeft gemaakt, is ze toch schaamteloos vrolijk over haar eigen redding. De realiteit geeft haar als overwinnaar gelijk: zij is diegene die de bezetting en vervolging het beste is doorgekomen.
Net als het werk van Aleksandr Solzjenitsyn, de man die de wereld attent maakte op het bestaan van de goelags, gaat Zuivering over de prijs die mensen betalen om te overleven in een repressief systeem. Waarden als eerlijkheid en integriteit zijn waardeloos of zelfs contraproductief als het erop aankomt je eigen hachje te redden.
Een roman met deze ingrediënten loopt algauw het risico drammerig of schematisch te worden, maar dat is met Zuivering allerminst het geval. De paranoia is voelbaar tussen de regels van deze bijzonder spannende, filmische en rijk gedocumenteerde tragedie.
Sofi Oksanen / Zuivering / vertaling: Marja-Leena Hellings / Anthos / 336p / recensie 'De overwinnaar heeft gelijk' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
zondag 31 januari 2010
zaterdag 16 januari 2010
de bijbel van doré - torgny lindgren
Kent u de Brit Stephen Wiltshire? Hij is een savant die na een korte helikoptervlucht een stad uit het hoofd gedetailleerd kan reconstrueren.
Torgny Lindgrens naamloze verteller in De Bijbel van Doré heeft een vergelijkbaar talent. Hij reconstrueert op basis van zijn herinneringen de meer dan 200 paginagrote illustraties die de Franse kunstenaar Gustave Doré in 1866 bij de Bijbel maakte. De man lijdt aan alexie, waardoor hij nooit heeft kunnen leren lezen en schrijven, en werd daarom van kleins af bijzonder aangetrokken door de woordeloze Bijbel van Doré. Die reconstructie is hij als zijn levenswerk gaan beschouwen, nadat zijn vader hem zijn exemplaar heeft afgenomen. Omdat hij niet kan schrijven en zijn verhaal toch niet verloren wil laten gaan, spreekt hij het in op een bandrecordertje. De roman van Lindgren is daar de transcriptie van.
In dat uitgangspunt zitten drie cruciale aspecten van het oeuvre van Torgny Lindgren (1938), een grand old man van de Zweedse literatuur: een Bijbelse thematiek, de grote kracht van woorden en de onbedwingbare behoefte van de mens om verhalen te vertellen.
De Bijbel van Doré is het laatste deel van een trilogie, die voorts de romans Het ultieme recept en Hommelhoning bevat, maar het past ook naadloos in de rest van Lindgrens oeuvre. Hij gebruikt het ruwe, door eenvoudige oerfiguren bevolkte landschap van Noord-Zweden als decor voor zijn uitgezuiverde thematiek van leven, dood, liefde, verraad en geloof.
De verteller begint zijn levensverhaal met zijn alexie. Omdat hij niet kan lezen, belandt hij in een tehuis voor onnozelen, hoewel er met zijn intelligentie weinig mis is. Hij heeft er de ruimte en de tijd om uit zijn geheugen illustratie na illustratie van Doré na tekenen. Dat is een titanenwerk, want in de Bijbel zit stof voor een heel leven, en de som van alle tekeningen van de Bijbel is God zelf. Wat de man weet en doet, heeft hij uit die Bijbel gehaald.
Mensen komen, mensen gaan, maar altijd blijft de verteller doorwerken, ook na de laatste tekening, want ‘als je je levenswerk hebt voltooid, dan is werken de enige troost die je rest'. Door allerlei jobs aan te nemen probeert hij ‘op zinnige en passende wijze de tijd te verdrijven', terwijl hij afwacht tot hij terugkrijgt wat hij is kwijtgeraakt en wat zijn leven zo heeft bepaald: de Bijbel van Doré.
De Bijbel van Doré is een oefening in berusting. De verteller aanvaardt het leven door het onvoorwaardelijke geloof in de genade, het besef van het ondoorgrondelijke van het geschapene en het belang van vertellen. Door verhalen te vertellen kan de mens de wereld proberen te begrijpen en in het beste geval zelfs enigszins beheersen. Dat klinkt ernstig, maar Lindgren bouwt genoeg ironische afstand in om alles verteerbaar te houden. Hij is de meester van de relativerende aforismen en hij haalt enkele prima grappen uit.
‘Niets mag irrelevant of duister zijn', legt Lindgren een journalist in de mond — dat is ook het uitgangspunt van de schrijver zelf. Torgny Lindgren is een stilist die veel schrapt in de overtuiging dat hij zo dat wezenlijke kan ontsluieren.
Torgny Lindgren / De Bijbel van Doré / vertaling: Lia van Strien / De Geus / 250p / recensie 'De Bijbel van Doré' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
Torgny Lindgrens naamloze verteller in De Bijbel van Doré heeft een vergelijkbaar talent. Hij reconstrueert op basis van zijn herinneringen de meer dan 200 paginagrote illustraties die de Franse kunstenaar Gustave Doré in 1866 bij de Bijbel maakte. De man lijdt aan alexie, waardoor hij nooit heeft kunnen leren lezen en schrijven, en werd daarom van kleins af bijzonder aangetrokken door de woordeloze Bijbel van Doré. Die reconstructie is hij als zijn levenswerk gaan beschouwen, nadat zijn vader hem zijn exemplaar heeft afgenomen. Omdat hij niet kan schrijven en zijn verhaal toch niet verloren wil laten gaan, spreekt hij het in op een bandrecordertje. De roman van Lindgren is daar de transcriptie van.
In dat uitgangspunt zitten drie cruciale aspecten van het oeuvre van Torgny Lindgren (1938), een grand old man van de Zweedse literatuur: een Bijbelse thematiek, de grote kracht van woorden en de onbedwingbare behoefte van de mens om verhalen te vertellen.
De Bijbel van Doré is het laatste deel van een trilogie, die voorts de romans Het ultieme recept en Hommelhoning bevat, maar het past ook naadloos in de rest van Lindgrens oeuvre. Hij gebruikt het ruwe, door eenvoudige oerfiguren bevolkte landschap van Noord-Zweden als decor voor zijn uitgezuiverde thematiek van leven, dood, liefde, verraad en geloof.
De verteller begint zijn levensverhaal met zijn alexie. Omdat hij niet kan lezen, belandt hij in een tehuis voor onnozelen, hoewel er met zijn intelligentie weinig mis is. Hij heeft er de ruimte en de tijd om uit zijn geheugen illustratie na illustratie van Doré na tekenen. Dat is een titanenwerk, want in de Bijbel zit stof voor een heel leven, en de som van alle tekeningen van de Bijbel is God zelf. Wat de man weet en doet, heeft hij uit die Bijbel gehaald.
Mensen komen, mensen gaan, maar altijd blijft de verteller doorwerken, ook na de laatste tekening, want ‘als je je levenswerk hebt voltooid, dan is werken de enige troost die je rest'. Door allerlei jobs aan te nemen probeert hij ‘op zinnige en passende wijze de tijd te verdrijven', terwijl hij afwacht tot hij terugkrijgt wat hij is kwijtgeraakt en wat zijn leven zo heeft bepaald: de Bijbel van Doré.
De Bijbel van Doré is een oefening in berusting. De verteller aanvaardt het leven door het onvoorwaardelijke geloof in de genade, het besef van het ondoorgrondelijke van het geschapene en het belang van vertellen. Door verhalen te vertellen kan de mens de wereld proberen te begrijpen en in het beste geval zelfs enigszins beheersen. Dat klinkt ernstig, maar Lindgren bouwt genoeg ironische afstand in om alles verteerbaar te houden. Hij is de meester van de relativerende aforismen en hij haalt enkele prima grappen uit.
‘Niets mag irrelevant of duister zijn', legt Lindgren een journalist in de mond — dat is ook het uitgangspunt van de schrijver zelf. Torgny Lindgren is een stilist die veel schrapt in de overtuiging dat hij zo dat wezenlijke kan ontsluieren.
Torgny Lindgren / De Bijbel van Doré / vertaling: Lia van Strien / De Geus / 250p / recensie 'De Bijbel van Doré' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
zondag 20 december 2009
mijn vriendschap met jezus - lars husum
Wanneer de succesvolle Deense zangeres Grith Okholm en haar man Allan bij een verkeersongeval omkomen, blijven de dertienjarige Nikolaj en zijn oudere zus Sanne alleen achter: verweesd maar financieel onafhankelijk. Ze zonderen zich af en sukkelen zo in een ongezonde broer-zus-symbiose. Als hij vreest dat zijn zus hem niet graag genoeg meer ziet, besluit hij haar de stuipen op het lijf jagen om haar weer van hem te laten houden. Hij ontpopt zich - in een waas van drugs, agressie en zelfmoordpogingen - tot een kleine, veelbelovende psychopaat. Hij bereikt zijn dieptepunt wanneer hij zijn vriendin het ziekenhuis inramt. Ten einde raad pleegt Sanne, zijn beschermengel, daarna zelfmoord. Voor Nikolaj volgt een afdaling in een hel van schaamte, schuldgevoelens, angst en verdriet.
Tot zover de aanloop die Lars Husum in Mijn vriendschap met Jezus nodig heeft om tot zijn uitgangspunt te komen: wat doe je als Jezus plots opduikt in je appartement? Of beter: een gespierde langharige onbekende die zichzelf als Jezus Christus voorstelt? Nikolaj probeert hem eerst de kop in te slaan met een asbak en wil daarna, als een oudtestamentische Jakob, de worsteling aangaan - maar ook in de 21ste eeuw is Jezus veel te sterk.
Jezus wil van Nikolaj een beter mens maken en hem opnieuw leren liefhebben. Om dat plan te kunnen uitvoeren, eist Jezus een opmerkelijke omkering van enkele cruciale waarden uit de seculiere traditie: hij moet, als ongelovige, volledige overgave tonen aan de raad van Jezus, en hij moet zijn zelfstandigheid opgeven en zichzelf afhankelijk maken van zijn vrienden. Samen zetten ze daarop een herstelexpeditie op touw, om Nikolaj te laten boeten op weg naar de verlossing.
Lars Husum, een debutant uit de brede entourage van de filmregisseur Lars von Trier, heeft van deze tegendraadse en ontregelende zwarte komedie intussen al de filmrechten verkocht. Dat is niet verwonderlijk: Husum schrijft bijzonder vlot, houdt het tempo hoog en countert zijn ontluisterende realisme met absurde elementen. Het resultaat: een ongewoon boek over de kracht van de liefde, verhuld als een relaas van een 'fucking merkwaardig' leven. Niet echt diepgaand, wel onderhoudend.
Lars Husum / Mijn vriendschap met Jezus / vertaling: Kor de Vries / Nieuw Amsterdam / 304p / recensie 'Jezus is je vriend' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
Tot zover de aanloop die Lars Husum in Mijn vriendschap met Jezus nodig heeft om tot zijn uitgangspunt te komen: wat doe je als Jezus plots opduikt in je appartement? Of beter: een gespierde langharige onbekende die zichzelf als Jezus Christus voorstelt? Nikolaj probeert hem eerst de kop in te slaan met een asbak en wil daarna, als een oudtestamentische Jakob, de worsteling aangaan - maar ook in de 21ste eeuw is Jezus veel te sterk.
Jezus wil van Nikolaj een beter mens maken en hem opnieuw leren liefhebben. Om dat plan te kunnen uitvoeren, eist Jezus een opmerkelijke omkering van enkele cruciale waarden uit de seculiere traditie: hij moet, als ongelovige, volledige overgave tonen aan de raad van Jezus, en hij moet zijn zelfstandigheid opgeven en zichzelf afhankelijk maken van zijn vrienden. Samen zetten ze daarop een herstelexpeditie op touw, om Nikolaj te laten boeten op weg naar de verlossing.
Lars Husum, een debutant uit de brede entourage van de filmregisseur Lars von Trier, heeft van deze tegendraadse en ontregelende zwarte komedie intussen al de filmrechten verkocht. Dat is niet verwonderlijk: Husum schrijft bijzonder vlot, houdt het tempo hoog en countert zijn ontluisterende realisme met absurde elementen. Het resultaat: een ongewoon boek over de kracht van de liefde, verhuld als een relaas van een 'fucking merkwaardig' leven. Niet echt diepgaand, wel onderhoudend.
Lars Husum / Mijn vriendschap met Jezus / vertaling: Kor de Vries / Nieuw Amsterdam / 304p / recensie 'Jezus is je vriend' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
de daisy sisters - henning mankell
De Zweed Henning Mankell (1948) is in België vooral bekend voor zijn thrillers over Kurt Wallander, maar hij schrijft ook literaire romans. De Daisy sisters, een vroeg werk uit 1982, negen jaar voor zijn eerste Wallander-verhaal, wordt als zo'n literaire roman in de markt gezet, als tegengewicht voor de thrillers. Jammer genoeg wil dat vooral zeggen dat Mankell er alle spanning heeft uitgelaten.
De Daisy sisters is een 634 pagina's dikke panoramische roman over drie generaties vrouwen, van begin jaren '40 tot begin jaren '80. De Zweedse neutraliteit tijdens de Tweede Wereldoorlog, de consolidatie van de welvaartsstaat en de economische groei tijdens de jaren van de sociaaldemocraat Tage Erlander, de communistische tegenbeweging en de Koude Oorlog: die dingen vormen het decor waartegen de levens van Elna, Eivor en Linda zich ontvouwen.
Op haar zeventiende heeft Elna de wereld aan haar voeten - tot ze na een verkrachting zwanger blijkt. Ze bevalt van Eivor, en maakt meteen kennis met de grenzen aan haar vrijheid.
De Daisy sisters is te lezen als Mankells commentaar op het gezegde van George Santayana: ook wie de geschiedenis kent, is blijkbaar gedoemd om ze te herhalen. Dat is in het geval van Elna, Eivor en Linda niet het beste nieuws van de wereld; de familiekroniek is een aaneenschakeling van tienerzwangerschappen, verkrachtingen, abortussen, huiselijk geweld, ongerealiseerde verlangens en voortijdig geïmplodeerde dromen.
Schering
In het Zweden van De Daisy sisters is sociale ellende schering en inslag. Over de jaren veranderen de mores - de moderniteit sluipt binnen, de positie van de vrouw in de maatschappij verandert - en dat biedt wel nieuwe kansen, maar de problemen blijven dezelfde. De vraag dringt zich op: in hoeverre kan iemand zelf de verantwoordelijkheid voor zijn leven opnemen? Is het mogelijk de fouten van je ouders te vermijden?
De voorspelbare want zich herhalende patronen leiden niet direct tot opbeurende literatuur. Mankell schetst een interessant tijdsbeeld, met enkele veelbelovende personages, maar gaat kopje onder in een vloedgolf van treurig fatalisme en miserabilisme. De Daisy Sisters kreunt bovendien onder een gebrek aan spankracht en is gewoon te lang. Ons ontgaat de relevantie van de vertaling 27 jaar na publicatie.
Henning Mankell / De Daisy Sisters / vertaling: Edith Sybesma / De Geus / 633p / recensie 'Miserie in drievoud' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
De Daisy sisters is een 634 pagina's dikke panoramische roman over drie generaties vrouwen, van begin jaren '40 tot begin jaren '80. De Zweedse neutraliteit tijdens de Tweede Wereldoorlog, de consolidatie van de welvaartsstaat en de economische groei tijdens de jaren van de sociaaldemocraat Tage Erlander, de communistische tegenbeweging en de Koude Oorlog: die dingen vormen het decor waartegen de levens van Elna, Eivor en Linda zich ontvouwen.
Op haar zeventiende heeft Elna de wereld aan haar voeten - tot ze na een verkrachting zwanger blijkt. Ze bevalt van Eivor, en maakt meteen kennis met de grenzen aan haar vrijheid.
De Daisy sisters is te lezen als Mankells commentaar op het gezegde van George Santayana: ook wie de geschiedenis kent, is blijkbaar gedoemd om ze te herhalen. Dat is in het geval van Elna, Eivor en Linda niet het beste nieuws van de wereld; de familiekroniek is een aaneenschakeling van tienerzwangerschappen, verkrachtingen, abortussen, huiselijk geweld, ongerealiseerde verlangens en voortijdig geïmplodeerde dromen.
Schering
In het Zweden van De Daisy sisters is sociale ellende schering en inslag. Over de jaren veranderen de mores - de moderniteit sluipt binnen, de positie van de vrouw in de maatschappij verandert - en dat biedt wel nieuwe kansen, maar de problemen blijven dezelfde. De vraag dringt zich op: in hoeverre kan iemand zelf de verantwoordelijkheid voor zijn leven opnemen? Is het mogelijk de fouten van je ouders te vermijden?
De voorspelbare want zich herhalende patronen leiden niet direct tot opbeurende literatuur. Mankell schetst een interessant tijdsbeeld, met enkele veelbelovende personages, maar gaat kopje onder in een vloedgolf van treurig fatalisme en miserabilisme. De Daisy Sisters kreunt bovendien onder een gebrek aan spankracht en is gewoon te lang. Ons ontgaat de relevantie van de vertaling 27 jaar na publicatie.
Henning Mankell / De Daisy Sisters / vertaling: Edith Sybesma / De Geus / 633p / recensie 'Miserie in drievoud' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
het wenshuis - anne b. ragde
Drie broers die mekaar al jaren niet meer hebben gezien vieren samen kerst op de familieboerderij, kort nadat hun moeder gestorven is. De oudste zoon Tor heeft de boerderij overgenomen en woont er alleen met zijn vader; de twee andere zonen zijn een ongetrouwde begrafenisondernemer en een homoseksuele etalagedesigner. Ook Tors onwettige en geheime dochter Torunn is gekomen, op uitdrukkelijke vraag van haar stervende grootmoeder. Zij is 37, dierenarts, en heeft haar vader nog nooit gezien, maar ze voelt zich voor hem verantwoordelijk.
De houding van de broers is eenvoudig: ze draaien rond alles heen- het belangrijkste ligt in de stiltes tussen de nietszeggende algemeenheden die ze uitwisselen. Als Torunn beseft hoe haar vader en grootvader leven, volledig afgezonderd van de wereld, huilt ze om hun verspilde levens. Tor is een ongenietbare zonderling. Hij komt moeilijk rond en is alleen geïnteresseerd in zijn varkens - voor hem is de moderniteit iets wat andere mensen overkomt.
Leugens en wensen
Na kerst vertrekt iedereen terug naar huis, maar de boerderij laat niemand nog los. Het is voor auteur Anne B. Ragde het vertrekpunt om, in het licht van het spanningsveld tussen moderniteit en traditie, te exploreren in welke mate mensen hun wortels kunnen loslaten. Vooral voor Tors dochter Torunn zijn er verregaande gevolgen. Kan ze het maken om terug te gaan haar leven in de stad, alsof er helemaal niets is gebeurd?
Het wenshuis is het middelste deel van een trilogie. Eerder werd het eerste deel vertaald als Het leugenhuis. Sinds Ragde in 2004 het eerste deel van haar Neshov-trilogie publiceerde, is Noorwegen in de ban van de lotgevallen van de familie. Ragde verkocht vele honderdduizenden boeken, en één miljoen mensen ging naar de verfilming kijken - niet slecht in een land met net geen vijf miljoen inwoners.
Die immense populariteit hoeft niet te verbazen, want net als het eerste deel van de trilogie draagt ook Het wenshuis het keurmerk Ragde: boeiend verteld, strak geschreven en afwisselend relativerend, grappig, ontroerend, vervreemdend en onbarmhartig. Of ze nu schrijft over de donkere geheimen van een probleemgezin of over de finesses van vitrinedesign, varkensfokkerij, hondenfluisteren en Swarovski-esthetiek, steeds blijft Ragde trouw aan de voornaamste regel van haar poëtica: romans moeten toegankelijk zijn. Het wenshuis is, binnen die krijtlijnen, echt vakwerk.
Anne B. Ragde / Het wenshuis / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 319p / recensie 'Verspilde levens op de boerderij' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
De houding van de broers is eenvoudig: ze draaien rond alles heen- het belangrijkste ligt in de stiltes tussen de nietszeggende algemeenheden die ze uitwisselen. Als Torunn beseft hoe haar vader en grootvader leven, volledig afgezonderd van de wereld, huilt ze om hun verspilde levens. Tor is een ongenietbare zonderling. Hij komt moeilijk rond en is alleen geïnteresseerd in zijn varkens - voor hem is de moderniteit iets wat andere mensen overkomt.
Leugens en wensen
Na kerst vertrekt iedereen terug naar huis, maar de boerderij laat niemand nog los. Het is voor auteur Anne B. Ragde het vertrekpunt om, in het licht van het spanningsveld tussen moderniteit en traditie, te exploreren in welke mate mensen hun wortels kunnen loslaten. Vooral voor Tors dochter Torunn zijn er verregaande gevolgen. Kan ze het maken om terug te gaan haar leven in de stad, alsof er helemaal niets is gebeurd?
Het wenshuis is het middelste deel van een trilogie. Eerder werd het eerste deel vertaald als Het leugenhuis. Sinds Ragde in 2004 het eerste deel van haar Neshov-trilogie publiceerde, is Noorwegen in de ban van de lotgevallen van de familie. Ragde verkocht vele honderdduizenden boeken, en één miljoen mensen ging naar de verfilming kijken - niet slecht in een land met net geen vijf miljoen inwoners.
Die immense populariteit hoeft niet te verbazen, want net als het eerste deel van de trilogie draagt ook Het wenshuis het keurmerk Ragde: boeiend verteld, strak geschreven en afwisselend relativerend, grappig, ontroerend, vervreemdend en onbarmhartig. Of ze nu schrijft over de donkere geheimen van een probleemgezin of over de finesses van vitrinedesign, varkensfokkerij, hondenfluisteren en Swarovski-esthetiek, steeds blijft Ragde trouw aan de voornaamste regel van haar poëtica: romans moeten toegankelijk zijn. Het wenshuis is, binnen die krijtlijnen, echt vakwerk.
Anne B. Ragde / Het wenshuis / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 319p / recensie 'Verspilde levens op de boerderij' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
de grens - riika pulkkinen
Riika Pulkkinen is mooi, jong en intelligent. Die combinatie staat garant voor commercieel succes, en dat is in dit geval helemaal terecht: Pulkkinen wordt in Finland beschouwd als een van de grootste talenten van een nieuwe generatie schrijvers. In haar debuutroman De grens lijkt ze iets van de ziel van de Scandinavische literatuur bloot te leggen - de dood waart over alle pagina's, zelfmoord is een levensoptie, seks is bijzonder explicieten alles ademt tomeloze melancholie. Ze heeft de twee verhaallijnen over Mari en Anja bovendien geraffineerd verweven met de klassieke tragedie Antigone en alles opvallend strak en gedoseerd opgetekend.
Krassen tegen de angst
Mari is zestien. In haar eenzaamheid, en omdat het zo hoort, experimenteert ze met liefdeloze seks, maar haar passie ligt in zelfverminking. Door in haar armen te krassen, probeert ze haar angst buiten te sluiten - op haar huid tekent ze de krijtlijnen voor de hoop. Het is ook een manier om haar verlangen te verdringen- als ze snijdt, verlangt ze nergens anders naar. Tot ze verliefd wordt op haar leraar literatuur en met hem een seksuele relatie begint. Hij geeft haar de contouren die ze nodig denkt te hebben om te kunnen leven.
De man van haar tante Anja heeft alzheimer. Zijn werkelijkheid is aan scherven gevallen. Eerst verdwijnen de herinneringen - als die weg zijn, volgen de verlangens. De hare blijven bestaan, en dient ze op een andere manier te kanaliseren. Wel is er nog liefde, en heel veel mededogen - Anja ontdekt een gedenkschrift van haar man, waarin hij alles over haar documenteert om het zich niet te hoeven herinneren.
De man van Anja heeft nog één verlangen: de dood - alleen kan hij dat zelf niet meer invullen. Anja, professor gespecialiseerd in de klassieke tragedie, heeft verschillende zelfmoordpogingen achter de rug; maar ze heeft tijdig beseft dat herinneringen 'de zinvolheid van elk afzonderlijk moment' aan het licht kunnen brengen. Ook Mari beschouwt de dood als ultieme mogelijkheid.
Gevaarlijk terrein
Waar seks en dood samenkomen, loert macht om de hoek. De machtsbalans in de relatie tussen Mari en haar getrouwde leraar kan nooit in evenwicht zijn. Hij zet er zijn job en gezin voor op het spel - Mari haar zielenheil en haar leven.
In het restant van de liefdesrelatie tussen Anja en haar man gaat het om de meest extreme vorm van macht: die over leven en dood. 'Dood me en red me', smeekt haar man. Haar belofte hem te helpen voor hij zijn herinneringen verliest, maakt haar verantwoordelijk, al brengt het haar, zoals Antigone ten opzichte van Creon bij Sophokles, op gevaarlijk terrein.
Pulkkinen laat de verhaallijnen hun afloop tegemoet denderen. Dat is niet altijd even bevorderlijk voor de spanning, maar werpt wel relevante vragen op over het lot en de vrije wil van de mens. Past hier mededogen of schuldgevoel? Pulkkinen overschrijdt voortdurend de grenzen tussen genot en geweld, kunst en leven, leven en dood, en goed en fout, maar blijft triomfantelijk overeind. De vele mooie zinnen en verstilde beelden die ze produceert, maken haar tot een bijzonder beloftevolle schrijfster.
Riika Pulkkinen / De grens / vertaling: Lieven Ameel / De Arbeiderspers / 318p / recensie 'Seks, dood en macht' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
Krassen tegen de angst
Mari is zestien. In haar eenzaamheid, en omdat het zo hoort, experimenteert ze met liefdeloze seks, maar haar passie ligt in zelfverminking. Door in haar armen te krassen, probeert ze haar angst buiten te sluiten - op haar huid tekent ze de krijtlijnen voor de hoop. Het is ook een manier om haar verlangen te verdringen- als ze snijdt, verlangt ze nergens anders naar. Tot ze verliefd wordt op haar leraar literatuur en met hem een seksuele relatie begint. Hij geeft haar de contouren die ze nodig denkt te hebben om te kunnen leven.
De man van haar tante Anja heeft alzheimer. Zijn werkelijkheid is aan scherven gevallen. Eerst verdwijnen de herinneringen - als die weg zijn, volgen de verlangens. De hare blijven bestaan, en dient ze op een andere manier te kanaliseren. Wel is er nog liefde, en heel veel mededogen - Anja ontdekt een gedenkschrift van haar man, waarin hij alles over haar documenteert om het zich niet te hoeven herinneren.
De man van Anja heeft nog één verlangen: de dood - alleen kan hij dat zelf niet meer invullen. Anja, professor gespecialiseerd in de klassieke tragedie, heeft verschillende zelfmoordpogingen achter de rug; maar ze heeft tijdig beseft dat herinneringen 'de zinvolheid van elk afzonderlijk moment' aan het licht kunnen brengen. Ook Mari beschouwt de dood als ultieme mogelijkheid.
Gevaarlijk terrein
Waar seks en dood samenkomen, loert macht om de hoek. De machtsbalans in de relatie tussen Mari en haar getrouwde leraar kan nooit in evenwicht zijn. Hij zet er zijn job en gezin voor op het spel - Mari haar zielenheil en haar leven.
In het restant van de liefdesrelatie tussen Anja en haar man gaat het om de meest extreme vorm van macht: die over leven en dood. 'Dood me en red me', smeekt haar man. Haar belofte hem te helpen voor hij zijn herinneringen verliest, maakt haar verantwoordelijk, al brengt het haar, zoals Antigone ten opzichte van Creon bij Sophokles, op gevaarlijk terrein.
Pulkkinen laat de verhaallijnen hun afloop tegemoet denderen. Dat is niet altijd even bevorderlijk voor de spanning, maar werpt wel relevante vragen op over het lot en de vrije wil van de mens. Past hier mededogen of schuldgevoel? Pulkkinen overschrijdt voortdurend de grenzen tussen genot en geweld, kunst en leven, leven en dood, en goed en fout, maar blijft triomfantelijk overeind. De vele mooie zinnen en verstilde beelden die ze produceert, maken haar tot een bijzonder beloftevolle schrijfster.
Riika Pulkkinen / De grens / vertaling: Lieven Ameel / De Arbeiderspers / 318p / recensie 'Seks, dood en macht' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
zondag 11 oktober 2009
hässelby. het demonteren is begonnen - johan harstad
‘Ze vermoorden ons een voor een, Albert. Vergeet dat niet,' zegt Bertil Åberg tegen zijn zoon Albert. Het is zomer 1986, amper enkele maanden na een pijnlijke breuk in de Zweedse geschiedenis: de moord op eerste minister Olof Palme op 28 februari 1986. Met Palme stierf de laatste architect van ‘Het Volkshuis', de Derde Weg tussen kapitalisme en communisme, een hoeksteen van de Zweedse sociaaldemocratie.
Bertil is verbitterd omdat zijn zoon Albert de Stockholmse voorstad Hässelby ontvlucht is om te ontkomen aan de verstikkende vader-zoonband.
Albert kocht een interrailticket naar Hamburg, belandde via een excentrieke zakenman in Hongkong, miste op de terugweg zijn vlucht vanuit Parijs en werd daar in een park stapelverliefd op de Duitse Leni. Hij beleefde er de tijd van zijn leven: een sprankelende liefde met de geur van alle zomers uit zijn kindertijd.
Hoe domweg gelukkig Albert ook was, op een dag laat hij Leni achter om terug te keren naar zijn vader. Hij gaat in Hässelby werken in een elektronicawinkel, en incarneert zo zijn hele generatie, met ‘te grote ideeën en te bescheiden talenten', die ‘in de schaduw van de verroeste zuilen van Het Volkshuis' uiteindelijk genoegen nam met wat er te krijgen was.
Wanneer zijn vader sterft, is Albert 42. Hij maakt de balans van zijn leven op. Het overlijden van zijn vader is het einde van een onleefbare afhankelijkheid — en dat voelt als een bevrijding. Daarmee eindigt het wervelende eerste deel van Hässelby, dat Harstad in één gulp neergepend lijkt te hebben. Hij is in topvorm: hij maakt scherpe analyses over de welvaartsstaat, schrijft gulzig over de liefde en Arthur Koestlers theorie over het toeval, ziet daar een kosmisch sturend principe in, en goochelt als een taalvaardige tovenaarsleerling met intertekstuele en culturele verwijzingen.
Demon
Dan volgt er een totale omslag. Albert is nu wel vrij, maar hij is al 42. Zijn bevrijding komt te laat, want nu hij vrij is, kan hij niet meer weg — hij heeft de plaats van zijn vader ingenomen. Aan het firmament verschijnt een zwarte zon; Albert sukkelt in een depressie. Zijn fascinatie voor Koestler slaat om in paranoia, die gevoed wordt door vreemde gebeurtenissen: er schijnt licht op onmogelijke plaatsen, personen duiken onverwacht op en verdwijnen al even onverklaarbaar en de wetten van de fysica worden uitgedaagd. Zijn de visioenen, soms letterlijk uit Twin Peaks, en warrige ijlsequenties depressieve wanen, of net symptomen van een kristalhelder en ‘dieper', onwerelds begrip?
Het besef van een verspild leven heeft nood aan een ander ritme en een andere toon: Harstad kiest voor een claustrofobische intensiteit. De sturende rol van het toeval, het onmiskenbare onbehagen en de krankzinnige, maar door zijn interne samenhang wel volstrekt geloofwaardige logica doen bijwijlen aan Haruki Murakami denken.
Harstad laat alles uitmonden in een apocalyptische finale waarin Albert letterlijk zijn demonen tegenkomt. Zijn leven is, in tegenstelling tot wat hij dacht, niet onopgemerkt voorbijgegaan. Hij is een observatieobject dat ‘de verwachtingen' niet heeft waargemaakt, en het dus niet verdient in stand te worden gehouden.
De persoonlijke nederlaag van Albert is belangrijk voor het Zweden na Het Volkshuis. De perfect gestroomlijnde maatschappij heeft cohorten waarnemers gecreëerd: niemand doet of zegt nog iets — men kijkt alleen maar toe. Hässelby gaat over de tragische ethiek van de waarnemer die alles teloor ziet gaan, maar zelf niets onderneemt. Zelfs niet als het einde van de wereld eraan komt.
In die wisselwerking tussen petite histoire en groot verhaal ligt de kracht van Johan Harstad. Het is een heksentoer die hij ook al uithaalde in zijn debuutroman Buzz Aldrin, waar ben je gebleven?, waarin hij trouwens ook zijn hoofdpersonage in de meest afgrondelijke eenzaamheid een depressie liet doormaken.
Opoffering
Hässelby is geschreven met de schaamteloze ambitie die eigen is aan beeldenstormers. Harstad etaleert een fascinerend fatalisme in een tijd waarin de grote verhalen hun kracht hebben verloren. Hij laat je na een wilde rit op een emotionele roetsjbaan volledig ontregeld achter.
Hij bezit ook de meedogenloosheid van de groten. Albert Åberg verwijst naar de hoofdpersoon van een populaire Zweedse kinderboekenreeks. Harstad heeft hem, tot afgrijzen van vele Zweden, volwassen laten worden en met alle zonden van de wereld beladen. Door Albert op te offeren, kan hij zelf verder leven. Dat opent schitterende perspectieven.
Johan Harstad / Hässelby. Het demonteren is begonnen / vertaling: Paula Stevens / Podium / 350p / recensie 'Scherp en gulzig' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
Bertil is verbitterd omdat zijn zoon Albert de Stockholmse voorstad Hässelby ontvlucht is om te ontkomen aan de verstikkende vader-zoonband.
Albert kocht een interrailticket naar Hamburg, belandde via een excentrieke zakenman in Hongkong, miste op de terugweg zijn vlucht vanuit Parijs en werd daar in een park stapelverliefd op de Duitse Leni. Hij beleefde er de tijd van zijn leven: een sprankelende liefde met de geur van alle zomers uit zijn kindertijd.
Hoe domweg gelukkig Albert ook was, op een dag laat hij Leni achter om terug te keren naar zijn vader. Hij gaat in Hässelby werken in een elektronicawinkel, en incarneert zo zijn hele generatie, met ‘te grote ideeën en te bescheiden talenten', die ‘in de schaduw van de verroeste zuilen van Het Volkshuis' uiteindelijk genoegen nam met wat er te krijgen was.
Wanneer zijn vader sterft, is Albert 42. Hij maakt de balans van zijn leven op. Het overlijden van zijn vader is het einde van een onleefbare afhankelijkheid — en dat voelt als een bevrijding. Daarmee eindigt het wervelende eerste deel van Hässelby, dat Harstad in één gulp neergepend lijkt te hebben. Hij is in topvorm: hij maakt scherpe analyses over de welvaartsstaat, schrijft gulzig over de liefde en Arthur Koestlers theorie over het toeval, ziet daar een kosmisch sturend principe in, en goochelt als een taalvaardige tovenaarsleerling met intertekstuele en culturele verwijzingen.
Demon
Dan volgt er een totale omslag. Albert is nu wel vrij, maar hij is al 42. Zijn bevrijding komt te laat, want nu hij vrij is, kan hij niet meer weg — hij heeft de plaats van zijn vader ingenomen. Aan het firmament verschijnt een zwarte zon; Albert sukkelt in een depressie. Zijn fascinatie voor Koestler slaat om in paranoia, die gevoed wordt door vreemde gebeurtenissen: er schijnt licht op onmogelijke plaatsen, personen duiken onverwacht op en verdwijnen al even onverklaarbaar en de wetten van de fysica worden uitgedaagd. Zijn de visioenen, soms letterlijk uit Twin Peaks, en warrige ijlsequenties depressieve wanen, of net symptomen van een kristalhelder en ‘dieper', onwerelds begrip?
Het besef van een verspild leven heeft nood aan een ander ritme en een andere toon: Harstad kiest voor een claustrofobische intensiteit. De sturende rol van het toeval, het onmiskenbare onbehagen en de krankzinnige, maar door zijn interne samenhang wel volstrekt geloofwaardige logica doen bijwijlen aan Haruki Murakami denken.
Harstad laat alles uitmonden in een apocalyptische finale waarin Albert letterlijk zijn demonen tegenkomt. Zijn leven is, in tegenstelling tot wat hij dacht, niet onopgemerkt voorbijgegaan. Hij is een observatieobject dat ‘de verwachtingen' niet heeft waargemaakt, en het dus niet verdient in stand te worden gehouden.
De persoonlijke nederlaag van Albert is belangrijk voor het Zweden na Het Volkshuis. De perfect gestroomlijnde maatschappij heeft cohorten waarnemers gecreëerd: niemand doet of zegt nog iets — men kijkt alleen maar toe. Hässelby gaat over de tragische ethiek van de waarnemer die alles teloor ziet gaan, maar zelf niets onderneemt. Zelfs niet als het einde van de wereld eraan komt.
In die wisselwerking tussen petite histoire en groot verhaal ligt de kracht van Johan Harstad. Het is een heksentoer die hij ook al uithaalde in zijn debuutroman Buzz Aldrin, waar ben je gebleven?, waarin hij trouwens ook zijn hoofdpersonage in de meest afgrondelijke eenzaamheid een depressie liet doormaken.
Opoffering
Hässelby is geschreven met de schaamteloze ambitie die eigen is aan beeldenstormers. Harstad etaleert een fascinerend fatalisme in een tijd waarin de grote verhalen hun kracht hebben verloren. Hij laat je na een wilde rit op een emotionele roetsjbaan volledig ontregeld achter.
Hij bezit ook de meedogenloosheid van de groten. Albert Åberg verwijst naar de hoofdpersoon van een populaire Zweedse kinderboekenreeks. Harstad heeft hem, tot afgrijzen van vele Zweden, volwassen laten worden en met alle zonden van de wereld beladen. Door Albert op te offeren, kan hij zelf verder leven. Dat opent schitterende perspectieven.
Johan Harstad / Hässelby. Het demonteren is begonnen / vertaling: Paula Stevens / Podium / 350p / recensie 'Scherp en gulzig' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
Abonneren op:
Reacties (Atom)