Dat er van de vier romans van de Deen Erling Jepsen al twee verfilmd zijn, kan bezwaarlijk verwonderlijk worden genoemd. Jepsen (1956) leeft sinds zijn debuut als radiohoorspelschrijver in 1977 van zijn pen en heeft als toneelschrijver en scenarist voor tv gewerkt. Frygtelig lykkelig, een roman uit 2004 die nu vertaald is als Vreselijk gelukkig en verfilmd als Terribly happy (zie DS 9.6.2009), is zijn derde roman, en de tweede die in het Nederlands beschikbaar is. Eerder werd ook al het prima De kunst om in koor te huilen vertaald (DSL 5.9.2008) en met succes verfilmd.
De verfilming van Terribly happy is van de hand van Jepsens landgenoot Henrik Ruben Genz en wordt het Deense antwoord op de gebroeders Coen genoemd. Evenmin verwonderlijk: Jepsen heeft net als de Coens een patent op tragikomische neo-noirverhalen en houdt van hoofdpersonages die op de ladder in de put der algehele debiliteit een stuk dichter bij de bodem staan dan u en ik.
Om terug te keren naar Vreselijk gelukkig: Robert Hansen heeft het niet helemaal getroffen. Hij lijkt op Stan Laurel en sleept als dertiger al mislukkingen als politieagent, echtgenoot, vader en zoon achter zich aan. Hansen wordt overgeplaatst van Kopenhagen naar het afgelegen dorpje Højer in Zuid-Jutland om er als dorpsagent een nieuw leven te beginnen.
'Het zou goed zijn als je eens succes had', zegt zijn moeder. Maar zijn kansen op succes krijgen een fikse knauw als de dorpelingen bij zijn aankomst zijn bijnaam ('het weekdier') al blijken te kennen. Het dorp is, achter de gevels in de stille straten, een onontwarbaar kluwen van onduidelijke machtsverhoudingen en persoonlijke agenda's. Er heerst een bijzondere logica: de dorpelingen lossen hun problemen zelf op, zonder externe autoriteiten.
De naïeve, oedipaal bezwaarde en poëzieschrijvende dromer in uniform die Hansen is, blijkt al snel te zwak om zijn hooggestemde idealen van recht en rechtvaardigheid te verwerkelijken. Wanneer hij verliefd wordt op de knappe, maar getrouwde Ingerlise zet hij een ontsporend mechanisme van eros en thanatos in gang, met een even schokkende en pijnlijke als lachwekkende ontknoping.
Sprekende kat
Jepsen zet met Vreselijk gelukkig een grote stap vooruit op zijn uitgestippelde pad: het eerherstel van de streekroman. Alle vier zijn romans gaan over Zuid-Jutland - Højer ligt vlakbij Gram, waar Jepsen en regisseur Genz vandaan komen. Met Genz, een jeugdvriend, publiceerde Jepsen vorig jaar nog zijn jeugdherinneringen over Gram.
Niet dat Jepsen streekromans schrijft zoals we die kennen. Als lucide chroniqueur van het plattelandsleven neemt hij consequent een loopje met de genreconventies. Dat doet hij in Vreselijk gelukkig nog nadrukkelijker dan in vroeger werk. Hij heeft zijn verhaal met ronduit surrealistische en groteske elementen geïnjecteerd en rijgt de memorabele scènes aan elkaar: drinkgelagen van Hansen en zijn verlamde moeder op het ritme van de voetbaluitslagen, een rolstoelstriptease, een drinkduel met de dorpscowboy, incontinentieproblemen en, net zoals in Murakami's Kafka, adviezen van een sprekende kat. Vreselijk gelukkig is een orgie van bevreemdende en onbarmhartige ontluistering.
Jepsen balanceert vaardig op het snijpunt van het hilarische, ontroerende en pijnlijke. Waar mindere goden zonder twijfel pardoes in het ravijn van het ordinaire zouden zijn getuimeld, is Jepsens aanpak fascinerend ontregelend. Hij is, net als Arnon Grunberg, een grootmeester van de tragikomedie. Hoe harder we lachen en hoe meer we onszelf moreel en intellectueel superieur voelen, hoe luider het verdoken leed van het dorp schreeuwt.
Idioten
Het platteland is bij Jepsen het decor voor de grote menselijke thema's, vergelijkbaar met de klassieke streekromans, maar dan wel met een interessante draai. De enige die nog denkt in termen van de tegenstelling tussen de verdorven stad en het zuivere platteland, is Robert Hansen. Hij vindt de streekbewoners weliswaar 'boers, maar onbedorven en goedhartig' - terwijl het onbetrouwbare, prottende polderidioten zijn met flaporen, een kromme rug en rubberlaarzen. Door de wereld buiten de deur te willen houden, hebben ze een benepen tragisch universum van huiselijk geweld, overspel, drankmisbruik en achterklap gecreëerd - net als in de grote stad.
Buiten het dorp ligt een moeras - een metaforische plaats waarin geheimen worden verzwolgen. Wat opduikt uit het moeras, wordt gewoon weer teruggeduwd. Wat ongezien en uitgesproken blijft, bestaat immers niet - daarom is de schuldvraag hoogstens secundair.
Hansen kan zich met zijn vertrouwde morele maatstaven niet redden en conformeert zich noodgedwongen aan de lokale gewoontes.
En kijk: meteen gaat alles prima in Højer. Hansen krijgt complimenten voor zijn puike werk. Hij beseft dat hij gelukkig is, vreselijk gelukkig. En het dient, met dank aan Erling Jepsen, gezegd: wij met hem. Onbehagen kan soms verrassend aantrekkelijk zijn. Erling Jepsen / Vreselijk gelukkig / vertaling: Diederik Grit en Edith Koenders / Cossee / 240p / recensie 'Als je eens succes had' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
zondag 21 juni 2009
vrijdag 1 mei 2009
de chirurgijn van de koningin - agneta pleijel
Op de achterflap van De chirurgijn van de koningin staat dat Agneta Pleijel een roman heeft geschreven in de geest van Het bezoek van de lijfarts. Dat klopt - en Pleijel is niet de enige die zich in het kielzog van Per Olov Enquist begeeft. Het boek van Enquist uit 1999 was de blauwdruk van een prominent genre in de Scandinavische literatuur van het voorbije decennium: de grondig gedocumenteerde en niet zelden op waarheid berustende historische roman.
De chirurgijn uit de titel is Herman Schützer, een befaamd vroedmeester in het achttiende-eeuwse Stockholm. Schützer begint zijn carrière als barbier in een tijd waarin die hun activiteiten niet tot baarden en haren beperkten, maar ook etterende ledematen amputeerden. Hij werkt zich op tot geneesheer-directeur van de Chirurgische Sociëteit en archiater van het Zweedse koningspaar; het is zijn ambitie de chirurgie, ooit een verdacht ambacht, te verheffen tot wetenschap.
Aan de hand van drie gevallen - een zwangere dwergin, de moriaan van de koningin en een zwanger meisje dat weigert te bevallen - ontplooit zich rond Schützer een strijd tussen de chirurgijnen enerzijds en de medici, volgelingen van Linnaeus, anderzijds. Het is in principe een wetenschappelijk conflict, maar het heeft ook ordinaire economische motieven: de invloed aan het hof.
Onpeilbaar
Het conflict leidt de ondergang van Schützer in. 'Iedere gebeurtenis op zich hoeft niets te betekenen. Haken ze in elkaar dan kunnen ze verwoestend worden. Het een stapelt zich op het andere en de wereld begint in zijn voegen te kraken.'
Ironisch genoeg leidt Schützers obsessie met zijn werk ook tot vervreemding van zijn jonge echtgenote Nella. Schützers primaire interessegebied is de vrouwengeneeskunde, omdat in de vrouw het geheim van de oorsprong schuilt, zoals de schilder Courbet ooit plastisch aantoonde. Maar die interesse is wetenschappelijk, niet menselijk of romantisch. Hij slaagt er niet in bij Nella de herinnering aan haar jeugdliefde uit te wissen.
Pleijel haalt niet het niveau van Enquist. Haar stijl - korte, droge zinnen - is beperkter en verhaaltechnisch is ze minder elegant; al te veel verhaallijnen eindigen met een loper, de dood van het personage. Toch is de De chirurgijn van de koningin een goed boek.
Want de heroïsche strijd van Schützer om zoveel mogelijk medische kennis te vergaren en de mensen uit de duistere middeleeuwen naar de verlichting te leiden, brengt hem aan de rand van onpeilbare afgronden. 'Waarom greep De Allerhoogste niet in? Waar hield Hij zich al die tijd eigenlijk op?' vraagt Schützer zich af. De eenzaamheid in zijn huwelijk weergalmt metafysisch in het lijden van alle mensen die hij niet kan helpen. Hij beseft: de wetenschap leidt onvermijdelijk tot 'de geringschatting en vernedering van de mens en het ontbreken van voorzienigheid, genade en verlossing'.
Zijn kennis en de mythologie van de schepping zijn twee communicerende vaten, maar de mens heeft verhalen nodig. Zonder verhalen is de mens werkelijk verlaten, omdat hij zichzelf zo buiten de schepping plaatst - en dat besef moet Schützer helemaal alleen dragen.
Agneta Pleijel / De chirurgijn van de koningin / vertaling: Lia van Strien / De Geus / 219p / recensie 'Het geheim van de oorsprong' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
De chirurgijn uit de titel is Herman Schützer, een befaamd vroedmeester in het achttiende-eeuwse Stockholm. Schützer begint zijn carrière als barbier in een tijd waarin die hun activiteiten niet tot baarden en haren beperkten, maar ook etterende ledematen amputeerden. Hij werkt zich op tot geneesheer-directeur van de Chirurgische Sociëteit en archiater van het Zweedse koningspaar; het is zijn ambitie de chirurgie, ooit een verdacht ambacht, te verheffen tot wetenschap.
Aan de hand van drie gevallen - een zwangere dwergin, de moriaan van de koningin en een zwanger meisje dat weigert te bevallen - ontplooit zich rond Schützer een strijd tussen de chirurgijnen enerzijds en de medici, volgelingen van Linnaeus, anderzijds. Het is in principe een wetenschappelijk conflict, maar het heeft ook ordinaire economische motieven: de invloed aan het hof.
Onpeilbaar
Het conflict leidt de ondergang van Schützer in. 'Iedere gebeurtenis op zich hoeft niets te betekenen. Haken ze in elkaar dan kunnen ze verwoestend worden. Het een stapelt zich op het andere en de wereld begint in zijn voegen te kraken.'
Ironisch genoeg leidt Schützers obsessie met zijn werk ook tot vervreemding van zijn jonge echtgenote Nella. Schützers primaire interessegebied is de vrouwengeneeskunde, omdat in de vrouw het geheim van de oorsprong schuilt, zoals de schilder Courbet ooit plastisch aantoonde. Maar die interesse is wetenschappelijk, niet menselijk of romantisch. Hij slaagt er niet in bij Nella de herinnering aan haar jeugdliefde uit te wissen.
Pleijel haalt niet het niveau van Enquist. Haar stijl - korte, droge zinnen - is beperkter en verhaaltechnisch is ze minder elegant; al te veel verhaallijnen eindigen met een loper, de dood van het personage. Toch is de De chirurgijn van de koningin een goed boek.
Want de heroïsche strijd van Schützer om zoveel mogelijk medische kennis te vergaren en de mensen uit de duistere middeleeuwen naar de verlichting te leiden, brengt hem aan de rand van onpeilbare afgronden. 'Waarom greep De Allerhoogste niet in? Waar hield Hij zich al die tijd eigenlijk op?' vraagt Schützer zich af. De eenzaamheid in zijn huwelijk weergalmt metafysisch in het lijden van alle mensen die hij niet kan helpen. Hij beseft: de wetenschap leidt onvermijdelijk tot 'de geringschatting en vernedering van de mens en het ontbreken van voorzienigheid, genade en verlossing'.
Zijn kennis en de mythologie van de schepping zijn twee communicerende vaten, maar de mens heeft verhalen nodig. Zonder verhalen is de mens werkelijk verlaten, omdat hij zichzelf zo buiten de schepping plaatst - en dat besef moet Schützer helemaal alleen dragen.
Agneta Pleijel / De chirurgijn van de koningin / vertaling: Lia van Strien / De Geus / 219p / recensie 'Het geheim van de oorsprong' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
dinsdag 17 maart 2009
weekend - trude marstein
De jonge Noorse schrijfster Trude Marstein is populair bij de Scandinavische critici. Op haar naam staan vier romans, een essaybundel, een toneelstuk en een kinderboek – en ongeveer evenveel literaire prijzen. Met Weekend levert ze haar meest ambitieuze roman tot nog toe af. Het is het verhaal van het feest dat Karoline Skramnes geeft voor haar vijftigste verjaardag – een kleine Noorse stad, een weekend in juli. Karoline heeft een verantwoordelijke functie bij Grøstad, is getrouwd met Egil en is ontzettend aantrekkelijk: ‘Alle mannen zijn verliefd op Karoline en doen verwoede pogingen om dit te verbergen. Alle vrouwen haten Karoline en doen verwoede pogingen om dit te verbergen’.
Op het feest houdt haar man Egil, van wie iedereen zich afvraagt hoe hij aan zo’n vrouw is geraakt, een vreemde, meedogenloze speech. Naast liefdevol en aanhankelijk kan Karoline ook ‘egoïstisch, onverschillig, onberekenbaar en boosaardig’ zijn, zegt hij. Zijn betoog past niet in de feeststemming. Dat Karoline nog voor middernacht van haar eigen feest verdwijnt, past evenmin – zou er een causaal verband zijn?
Daarmee hebt u de centrale verhaallijn gehad. Klinkt allemaal niet zo bijzonder, zegt u? Toch is het dat wel. Het ambitieuze en ongewone van Weekend zit in de manier waarop het verhaal gebracht wordt. Marstein is creatief met focalisatie en vertelt haar roman afwisselend door de ogen van liefst 118 personages, die allemaal iets met Karoline te maken hebben – wij hebben het niet nageteld, maar het staat op de achterflap. De lezer springt voortdurend van de ene verteller over op de andere, elk met zijn eigen verhaal, en voelt zich daarbij als een kind dat in een cirkel vriendjes in het rond wordt geduwd: overrompeld en uitgelaten, maar ook een beetje duizelig.
Het procédé van de wisselende focalisatie laat Marstein toe belangrijke verhaalsituaties steeds verder uit te benen vanuit verschillende invalshoeken. Haar ambitie reikt namelijk verder dan het verjaardagsfeest. Uit de fragmentatie van haar caleidoscoop komen universele menselijke thema’s tevoorschijn: schande, vergeving, liefde, dood, schaamte, lust. Ook in Noorwegen zijn seksuele relaties hopeloos complex en proberen mensen vruchteloos om genot aan hun lichamen te ontwringen. En disfunctionele gezinnen zijn geen alleenrecht van een Noord-Amerikaans suburbia.
Als allerlaatste in deze polyfone roman krijgt Karoline zelf het woord, voor het eerst. In een sterke slotmonoloog knoopt ze enkele losse eindjes aan elkaar en onthult ze haar handelingsmoraal: ‘haal jezelf geen schaamte en leegte op de hals’ – het is een lovenswaardige instelling, maar over de resultaten in haar eigen leven kan gediscussieerd worden.
Trude Marstein heeft met Weekend een steeds verder uitdijende verhalenoceaan gebaard. De kunst is daarin is te blijven dobberen, want 480 pagina’s is te lang, en 118 vertellers van het goede te veel. Weekend balanceert dan ook soms gevaarlijk op de slappe koord tussen stijloefening en spannend verhaal. Maar uit de totaalconstructie en uit elke afzonderlijke zin spreken zo veel bezieling en vakmanschap dat het verhaal geschreven lijkt in één grote gulp, in één grote gedachtestroom, zij het dan uit verschillende monden en hoofden. En dat wekt bewondering. Marstein overtuigt nog niet volledig, maar is absoluut een schrijfster om in de gaten te houden.
Trude Marstein / Weekend / vertaling: Maaike Lahaise / Houtekiet/Atlas / 480p
zaterdag 7 februari 2009
komt dat zien - lotta lundberg
Het is 1932. Glauer en Ka, een gewone en een hermafrodiete dwerg, werken in een freakshow op Coney Island - Glauer, de spreekstalmeester, heeft een akkoordje gesloten met dokter Couney: hij voorziet de dokter van lotgenoten voor gewaagde medische experimenten in ruil voor hulp bij de realisatie van zijn grote droom: naar Europa gaan en daar een eigen, hoogstaander artistiek gezelschap oprichten - ook dwergen moeten klein beginnen.
Glauer heeft zich tot leider van de dwergen opgewerkt omdat hij het beste beseft dat je je tekortkomingen kunt overwinnen door er iets bijzonders mee te doen. En omdat hij gemerkt heeft dat mensen een voorliefde voor vernedering hebben.
Hete grond
Uiteindelijk versieren Glauer en Ka, verkleed als kerstkabouter, een plaats op de boot richting Duitsland, waar ze Verner en Nelly leren kennen, respectievelijk de kleinste man ter wereld en een mulatdwerg.
Duitsland symboliseert de culminatie van de Europese beschaving en verlichting, maar er is net een nieuwe kanselier: Adolf Hitler. Aanvankelijk manifesteert hij zich als de apostel van de verandering, maar die verandering blijkt alleen voor de uitverkorenen weggelegd. De dwergen zien de intolerantie tegen wat anders is, escaleren; er komen razzia's, Joden worden gestigmatiseerd, zieken en gehandicapten verdwijnen en er gaan geruchten over eugenetische programma's.
'De mensen hier lijken langzaam maar zeker de rol van Faust op zich te nemen. Ze verkopen hun ziel, terwijl Mephisto in de coulissen staat te gniffelen', schrijft Glauer. De grond wordt hen te heet onder de voeten: op 20 april 1935, de 46ste verjaardag van Hitler, vertrekken ze naar Stockholm.
Daar heeft ene Bergsson een ministad voor dwergen ingericht waar ze in vrede en veiligheid kunnen samenleven. Alleen zijn de dwergen ook in zijn amusementspark een circusattractie; in hun stadje worden ze door het publiek geobserveerd in hun dagelijkse bezigheden.
Glauer beseft: 'Niemand is armoedig in zijn eenzaamheid. Het is de blik, altijd alleen de blik.' Stockholm is niet beter dan Berlijn of New York: uiteindelijk vinden de dwergen nergens het perspectief op waardigheid dat ze zochten.
Freaks
Lotta Lundberg toont in Komt dat zien de zwarte rand van de Zweedse heilstaat. De sociaaldemocratie verlangde zo naar een utopie dat de prijs quasi ongemerkt te hoog werd: er kwam een sterilisatiewetgeving en experimenten met eugenetica, en gezondheid - conformiteit aan de lichamelijke norm - werd het hoogste goed. Komt dat zien is een geslaagde spiegel van het burgerlijke milieu in de jaren '30.
Lundberg schetst een eenzaam universum zonder compassie en zonder god - want welke god schept monsters en freaks, mensen die alleen op de wereld zijn om uitgelachen te kunnen worden? Ze probeert postuum waardigheid te verlenen aan het leven van de dwergen, bij uitstek 'anders' dan 'de anderen'; ze heeft een monument opgericht tegen het vergeten - want het is zoals ze zelf zegt: 'Met iedere bibliotheek die gesloten wordt, raakt Zweden een beetje compassie kwijt'.
Lotta Lundberg / Komt dat zien / vertaling: Ydelet Westra / De Geus / 382p / recensie 'Dwergen kijken' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
Glauer heeft zich tot leider van de dwergen opgewerkt omdat hij het beste beseft dat je je tekortkomingen kunt overwinnen door er iets bijzonders mee te doen. En omdat hij gemerkt heeft dat mensen een voorliefde voor vernedering hebben.
Hete grond
Uiteindelijk versieren Glauer en Ka, verkleed als kerstkabouter, een plaats op de boot richting Duitsland, waar ze Verner en Nelly leren kennen, respectievelijk de kleinste man ter wereld en een mulatdwerg.
Duitsland symboliseert de culminatie van de Europese beschaving en verlichting, maar er is net een nieuwe kanselier: Adolf Hitler. Aanvankelijk manifesteert hij zich als de apostel van de verandering, maar die verandering blijkt alleen voor de uitverkorenen weggelegd. De dwergen zien de intolerantie tegen wat anders is, escaleren; er komen razzia's, Joden worden gestigmatiseerd, zieken en gehandicapten verdwijnen en er gaan geruchten over eugenetische programma's.
'De mensen hier lijken langzaam maar zeker de rol van Faust op zich te nemen. Ze verkopen hun ziel, terwijl Mephisto in de coulissen staat te gniffelen', schrijft Glauer. De grond wordt hen te heet onder de voeten: op 20 april 1935, de 46ste verjaardag van Hitler, vertrekken ze naar Stockholm.
Daar heeft ene Bergsson een ministad voor dwergen ingericht waar ze in vrede en veiligheid kunnen samenleven. Alleen zijn de dwergen ook in zijn amusementspark een circusattractie; in hun stadje worden ze door het publiek geobserveerd in hun dagelijkse bezigheden.
Glauer beseft: 'Niemand is armoedig in zijn eenzaamheid. Het is de blik, altijd alleen de blik.' Stockholm is niet beter dan Berlijn of New York: uiteindelijk vinden de dwergen nergens het perspectief op waardigheid dat ze zochten.
Freaks
Lotta Lundberg toont in Komt dat zien de zwarte rand van de Zweedse heilstaat. De sociaaldemocratie verlangde zo naar een utopie dat de prijs quasi ongemerkt te hoog werd: er kwam een sterilisatiewetgeving en experimenten met eugenetica, en gezondheid - conformiteit aan de lichamelijke norm - werd het hoogste goed. Komt dat zien is een geslaagde spiegel van het burgerlijke milieu in de jaren '30.
Lundberg schetst een eenzaam universum zonder compassie en zonder god - want welke god schept monsters en freaks, mensen die alleen op de wereld zijn om uitgelachen te kunnen worden? Ze probeert postuum waardigheid te verlenen aan het leven van de dwergen, bij uitstek 'anders' dan 'de anderen'; ze heeft een monument opgericht tegen het vergeten - want het is zoals ze zelf zegt: 'Met iedere bibliotheek die gesloten wordt, raakt Zweden een beetje compassie kwijt'.
Lotta Lundberg / Komt dat zien / vertaling: Ydelet Westra / De Geus / 382p / recensie 'Dwergen kijken' gepubliceerd in De Standaard der Letteren
zaterdag 22 november 2008
de tijd die nodig is - jens christian grøndahl
'Het lijkt een doktersromannetje, verkrijgbaar in een stationskiosk', staat er haast verontschuldigend op de achterflap van Grøndahls boek Lucca uit 2000. Voor alle duidelijkheid: dat is het niet, net zomin als De tijd die nodig is, maar het is treffend dat de illusie ontkend moet worden.
Grøndahl behoort tot het soort schrijvers dat steeds hetzelfde boek schrijft, maar altijd anders. Zijn geliefkoosde onderwerp is de liefde, zijn plots zijn eenvoudig na te vertellen. Vaak hebben zijn romans een vergelijkbare opbouw: een crisis, niet zelden overspel, veroorzaakt de reconstructie van het verhaal en een oncontroleerbare proustiaanse afdaling in de herinnering van de personages.
In De tijd die nodig is wordt de crisis veroorzaakt door een telefoontje dat Ingrid krijgt: haar puberzoon Jonas is gearresteerd omdat hij een allochtoon in elkaar heeft geslagen. Ingrid - eind 40, succesvolle carrière - is vooral beschaamd dat de maatschappij zich moet bemoeien met Jonas omdat zij gefaald heeft. Op weg naar haar zoon speelt ze de film af van haar leven - een confronterend zelfonderzoek: haar eerste man Anders, die ze verliet vanwege een ondefinieerbaar gevoel van leegte; haar buitenechtelijke relatie met Frank, die blijft aarzelen om zijn vrouw in de steek te laten; haar overweldigende allereerste liefde; het dubbelleven van haar schrijvende grootouders; haar gecomplexeerde moeder en afwezige vader.
Opnieuw speelt Kopenhagen een rol, opnieuw wordt overal overspel bedreven, opnieuw is liefde een uitzonderingstoestand en opnieuw woekeren vervreemding en eenzaamheid. Veel van wat Grøndahl vertelt, bestaat alleen in het hoofd van zijn personages of is al lang geleden gebeurd, maar toch heeft hij allerminst moeite om de aandacht vast te houden. Dat komt omdat hij een pijnlijk scherpe analyse van de menselijke relaties levert en hij zijn waardevolle, ware gedachten onveranderlijk in schitterende zinnen vat. De ontknoping is bovendien in meer dan één opzicht verrassend. Dit is belangwekkende literatuur - Jens Christian Grøndahl is een schrijver van Europees formaat.
Jens Christian Grøndahl / De tijd die nodig is / vertaling: Annelies van Hees / Meulenhoff / 319p / recensie gepubliceerd in De Standaard der Letteren
In De tijd die nodig is wordt de crisis veroorzaakt door een telefoontje dat Ingrid krijgt: haar puberzoon Jonas is gearresteerd omdat hij een allochtoon in elkaar heeft geslagen. Ingrid - eind 40, succesvolle carrière - is vooral beschaamd dat de maatschappij zich moet bemoeien met Jonas omdat zij gefaald heeft. Op weg naar haar zoon speelt ze de film af van haar leven - een confronterend zelfonderzoek: haar eerste man Anders, die ze verliet vanwege een ondefinieerbaar gevoel van leegte; haar buitenechtelijke relatie met Frank, die blijft aarzelen om zijn vrouw in de steek te laten; haar overweldigende allereerste liefde; het dubbelleven van haar schrijvende grootouders; haar gecomplexeerde moeder en afwezige vader.
Opnieuw speelt Kopenhagen een rol, opnieuw wordt overal overspel bedreven, opnieuw is liefde een uitzonderingstoestand en opnieuw woekeren vervreemding en eenzaamheid. Veel van wat Grøndahl vertelt, bestaat alleen in het hoofd van zijn personages of is al lang geleden gebeurd, maar toch heeft hij allerminst moeite om de aandacht vast te houden. Dat komt omdat hij een pijnlijk scherpe analyse van de menselijke relaties levert en hij zijn waardevolle, ware gedachten onveranderlijk in schitterende zinnen vat. De ontknoping is bovendien in meer dan één opzicht verrassend. Dit is belangwekkende literatuur - Jens Christian Grøndahl is een schrijver van Europees formaat.
Jens Christian Grøndahl / De tijd die nodig is / vertaling: Annelies van Hees / Meulenhoff / 319p / recensie gepubliceerd in De Standaard der Letteren
'ik laat een hoekje van hun leven zien' - interview met jens christian grøndahl
Jens Christian Grøndahl is een man van stand. Hij ontvangt in een hotel op de Herengracht in Amsterdam. Aan de muur hangen, tot zijn grote tevredenheid, werken van Appel, Corneille en Jorn - het ideale decor om Cobra te vieren: Amsterdam levert de locatie, Brussel de vragen en Kopenhagen, met bedachtzame stem, de antwoorden.
Uw nieuwe roman is weemoedig, heeft een beperkte plot en draagt de sporen van Proust, Flaubert en Stendhal. Kortom, het is een typische Grøndahl. Ziet u het als een uitdaging om critici te overtuigen?
'Hoewel ik voor iedereen schrijf, ga ik er niet van uit dat iedereen iets aan mijn boeken heeft. Ik geloof niet dat ik mezelf voortdurend kan heruitvinden als schrijver. Ik schrijf om bepaalde redenen - redenen die ook voor mij deels verborgen zijn. Door te schrijven en steeds terug te keren naar mijn obsessies, ga ik naar die redenen op zoek.'
'Ik kies in dat opzicht niet echt mijn thema's - ze zijn daar. En ze zijn basaal: mannen en vrouwen, herinnering, tijd, verlangen.'
In uw romans is overspel vaak de katalysator die het leven van uw personages laat uiteenspatten. Net als bij Proust volgt dan een terugkeer in herinneringen. Gelooft u dat ons geheugen voortdurend muteert onder invloed van ervaringen in het heden?
'Absoluut. Dat is een belangrijk thema in mijn werk: de falsificatie van het geheugen. Mensen lijken vaak te vergeten dat ze ooit gelukkig waren. In De tijd die nodig is vraagt Ingrid zich af, nadat ze begrepen heeft dat Frank zijn vrouw niet zal verlaten, wat ze zou hebben gedaan als iemand haar had voorspeld wat er zou gebeuren - en ze beseft dat ze waarschijnlijk niet aan de relatie begonnen was. Maar als ze haar eigen verleden niet aanvaardt met al zijn tegenstrijdigheden, wordt ze minder mens.'
'Ze botst op haar eigen grenzen en ontdekt dat veel van wat ze gedaan heeft niet louter het gevolg was van haar vrije wil, maar eerder van wat op dat moment toevallig mogelijk was. Ze ontdekt dat er grenzen zijn aan haar vrijheid - dat ze bepaalde keuzes niet kan terugdraaien.'
Uw kenmerkende thema is dus overspel. Is het niet paradoxaal om de liefde dan toch als bevrijdende kracht te begroeten?
'Liefde is voor mij de enige stabiele kracht in een onstabiel leven. Er is altijd de nood om dicht bij iemand anders te zijn, om je leven te delen en aan het isolement te ontsnappen.'
'Maar velen verlaten of worden verlaten. Huwelijken blijven niet duren zoals vroeger - dat komt door de cultuur van de vrijheid, het onvermogen te aanvaarden dat bepaalde dingen buiten onze mogelijkheden liggen. De vrijheid heeft een donkere kant. De illusie van totale vrijheid schaadt de relaties tussen mensen.'
In 'Piazza Bucarest' vraagt de verteller zich af: 'Hoe kon ik ermee volstaan om over de zielenroerselen van verwende middle-class Denen te schrijven, terwijl de wereldgeschiedenis me om de oren brulde?' Worstelt u zelf ook met die vraag?
'Wanneer ik iets dergelijks schrijf, vertel ik over een discussie met mijn geweten. Het antwoord is: je moet de schrijver zijn die je kan zijn. Ik kan niet kiezen welke schrijver ik graag zou zijn. Het heeft te maken met mijzelf, mijn geboorteplaats en de generatie waartoe ik behoor.'
'Ik geloof dat alle goede literatuur universeel potentieel heeft, maar je mag je achtergrond niet verraden. Ik ben geboren in een Scandinavische welvaartstaat in een generatie die geen oorlog of geschiedenis heeft meegemaakt - daarom kan ik er alleen indirect over vertellen.'
'Sinds het einde van de Koude Oorlog, en nog dwingender sinds 11 september, voel ik de nood om mijn fictief universum open te trekken. Ik had sterk het gevoel dat de geschiedenis, ondanks alles, niet ten einde was - en dat ik dat in mijn schrijven moest integreren.'
Dat begon in de prachtige, kleine novelle 'Virginia', die speelt tijdens de oorlog op Jutland, en zet zich door in 'Veranderend licht'.
'In beide gevallen benader ik de geschiedenis op een indirecte manier, net als in Piazza Bucarest en Rode handen. Ik heb een hoofdpersonage zoals mezelf nodig waardoor ik die ervaringen kan benaderen.'
'Ik ben geen Duitser en heb de Rote Armee Fraktion [die een rol speelt in Rode handen, red.] niet meegemaakt. Via die indirecte aanpak voel ik dat ik trouw ben aan mijn achtergrond. Als ik het niet heb meegemaakt, kan ik niet doen alsof ik er alles van weet. Ik verafschuw het over iets te schrijven waar ik geen ervaring mee heb - ik zou het vals en pretentieus vinden.'
'Het is een oud gebruik om een tussenpersoon te hebben. Tsjechov doet het de hele tijd: het hoofdpersonage ontmoet iemand die zijn verhaal doet - en zo krijgen wij het te lezen.'
'In die afstand is er ruimte voor de schrijver om zichzelf te zijn, niet overweldigd te worden en niet te doen alsof hij het allemaal weet - voor mij blijven de personages altijd wat mysterieus. Ik laat alleen maar een hoekje van hun leven zien.'
De manier waarop u dat doet, is typisch melancholisch.
'Het is interessant om mensen te observeren die niet meer moeten vechten om te overleven - mensen die leven in een rijke welvaartstaat waar alles mogelijk is. Ze worden ongelukkig en voelen zich eenzaam. Ze functioneren, maar lijden. Schrijven over de ziekte van deze tijd is ook een manier van engagement.'
Dan worden ze ook nog steeds ouder. U beschouwt dat soms bijna als verraad, omdat het onze herinneringen corrumpeert. Zelf wordt u volgend jaar vijftig. Hebt u het gevoel dat de tijd dringt?
'Onvermijdelijk. Maar vreemd genoeg, ouder worden maakt me minder melancholisch. Leeftijd brengt een nieuw soort vrijheid - het heeft te maken met aanvaarding.'
'Dat is de enige waardigheid waar je als mens kunt op hopen. Het feit te kunnen zeggen: dit ben ik, dit is mijn leven, dit is het verhaal dat ik moet vertellen. Mettertijd besef je: ik moet niet kiezen. Dat wat echt belangrijk is, maakt zich wel kenbaar.'Interview gepubliceerd in De Standaard der Letteren
Uw nieuwe roman is weemoedig, heeft een beperkte plot en draagt de sporen van Proust, Flaubert en Stendhal. Kortom, het is een typische Grøndahl. Ziet u het als een uitdaging om critici te overtuigen?
'Hoewel ik voor iedereen schrijf, ga ik er niet van uit dat iedereen iets aan mijn boeken heeft. Ik geloof niet dat ik mezelf voortdurend kan heruitvinden als schrijver. Ik schrijf om bepaalde redenen - redenen die ook voor mij deels verborgen zijn. Door te schrijven en steeds terug te keren naar mijn obsessies, ga ik naar die redenen op zoek.'
'Ik kies in dat opzicht niet echt mijn thema's - ze zijn daar. En ze zijn basaal: mannen en vrouwen, herinnering, tijd, verlangen.'
In uw romans is overspel vaak de katalysator die het leven van uw personages laat uiteenspatten. Net als bij Proust volgt dan een terugkeer in herinneringen. Gelooft u dat ons geheugen voortdurend muteert onder invloed van ervaringen in het heden?
'Absoluut. Dat is een belangrijk thema in mijn werk: de falsificatie van het geheugen. Mensen lijken vaak te vergeten dat ze ooit gelukkig waren. In De tijd die nodig is vraagt Ingrid zich af, nadat ze begrepen heeft dat Frank zijn vrouw niet zal verlaten, wat ze zou hebben gedaan als iemand haar had voorspeld wat er zou gebeuren - en ze beseft dat ze waarschijnlijk niet aan de relatie begonnen was. Maar als ze haar eigen verleden niet aanvaardt met al zijn tegenstrijdigheden, wordt ze minder mens.'
'Ze botst op haar eigen grenzen en ontdekt dat veel van wat ze gedaan heeft niet louter het gevolg was van haar vrije wil, maar eerder van wat op dat moment toevallig mogelijk was. Ze ontdekt dat er grenzen zijn aan haar vrijheid - dat ze bepaalde keuzes niet kan terugdraaien.'
Uw kenmerkende thema is dus overspel. Is het niet paradoxaal om de liefde dan toch als bevrijdende kracht te begroeten?
'Liefde is voor mij de enige stabiele kracht in een onstabiel leven. Er is altijd de nood om dicht bij iemand anders te zijn, om je leven te delen en aan het isolement te ontsnappen.'
'Maar velen verlaten of worden verlaten. Huwelijken blijven niet duren zoals vroeger - dat komt door de cultuur van de vrijheid, het onvermogen te aanvaarden dat bepaalde dingen buiten onze mogelijkheden liggen. De vrijheid heeft een donkere kant. De illusie van totale vrijheid schaadt de relaties tussen mensen.'
In 'Piazza Bucarest' vraagt de verteller zich af: 'Hoe kon ik ermee volstaan om over de zielenroerselen van verwende middle-class Denen te schrijven, terwijl de wereldgeschiedenis me om de oren brulde?' Worstelt u zelf ook met die vraag?
'Wanneer ik iets dergelijks schrijf, vertel ik over een discussie met mijn geweten. Het antwoord is: je moet de schrijver zijn die je kan zijn. Ik kan niet kiezen welke schrijver ik graag zou zijn. Het heeft te maken met mijzelf, mijn geboorteplaats en de generatie waartoe ik behoor.'
'Ik geloof dat alle goede literatuur universeel potentieel heeft, maar je mag je achtergrond niet verraden. Ik ben geboren in een Scandinavische welvaartstaat in een generatie die geen oorlog of geschiedenis heeft meegemaakt - daarom kan ik er alleen indirect over vertellen.'
'Sinds het einde van de Koude Oorlog, en nog dwingender sinds 11 september, voel ik de nood om mijn fictief universum open te trekken. Ik had sterk het gevoel dat de geschiedenis, ondanks alles, niet ten einde was - en dat ik dat in mijn schrijven moest integreren.'
Dat begon in de prachtige, kleine novelle 'Virginia', die speelt tijdens de oorlog op Jutland, en zet zich door in 'Veranderend licht'.
'In beide gevallen benader ik de geschiedenis op een indirecte manier, net als in Piazza Bucarest en Rode handen. Ik heb een hoofdpersonage zoals mezelf nodig waardoor ik die ervaringen kan benaderen.'
'Ik ben geen Duitser en heb de Rote Armee Fraktion [die een rol speelt in Rode handen, red.] niet meegemaakt. Via die indirecte aanpak voel ik dat ik trouw ben aan mijn achtergrond. Als ik het niet heb meegemaakt, kan ik niet doen alsof ik er alles van weet. Ik verafschuw het over iets te schrijven waar ik geen ervaring mee heb - ik zou het vals en pretentieus vinden.'
'Het is een oud gebruik om een tussenpersoon te hebben. Tsjechov doet het de hele tijd: het hoofdpersonage ontmoet iemand die zijn verhaal doet - en zo krijgen wij het te lezen.'
'In die afstand is er ruimte voor de schrijver om zichzelf te zijn, niet overweldigd te worden en niet te doen alsof hij het allemaal weet - voor mij blijven de personages altijd wat mysterieus. Ik laat alleen maar een hoekje van hun leven zien.'
De manier waarop u dat doet, is typisch melancholisch.
'Het is interessant om mensen te observeren die niet meer moeten vechten om te overleven - mensen die leven in een rijke welvaartstaat waar alles mogelijk is. Ze worden ongelukkig en voelen zich eenzaam. Ze functioneren, maar lijden. Schrijven over de ziekte van deze tijd is ook een manier van engagement.'
Dan worden ze ook nog steeds ouder. U beschouwt dat soms bijna als verraad, omdat het onze herinneringen corrumpeert. Zelf wordt u volgend jaar vijftig. Hebt u het gevoel dat de tijd dringt?
'Onvermijdelijk. Maar vreemd genoeg, ouder worden maakt me minder melancholisch. Leeftijd brengt een nieuw soort vrijheid - het heeft te maken met aanvaarding.'
'Dat is de enige waardigheid waar je als mens kunt op hopen. Het feit te kunnen zeggen: dit ben ik, dit is mijn leven, dit is het verhaal dat ik moet vertellen. Mettertijd besef je: ik moet niet kiezen. Dat wat echt belangrijk is, maakt zich wel kenbaar.'Interview gepubliceerd in De Standaard der Letteren
zondag 19 oktober 2008
montecore, een tijger op twee benen - jonas hassen khemiri
Jonas Hassen Khemiri is de Midas van de Zweedse literatuur – wat de jonge schrijver aanraakt, verandert meteen in goud: hij heeft in meerdere genres succes bij de critici, verkoopt veel boeken en wint vlot literaire prijzen. Het is voorwaar geen frequente combinatie.
Montecore, een tijger op twee benen, zijn tweede roman, komt uit Scandinavië overwaaien in een wolk van lof en hemelshoge verwachtingen. En het dient gezegd: Khemiri trekt alle registers open en lost de beloftes volledig in. Montecore is een ambitieuze onderneming – op vele vlakken is de roman te vergelijken met Alles is verlicht van Jonathan Safran Foer: de schijnbaar complexe verhaalstructuur die zich toch als vanzelfsprekend aan de lezer presenteert, de spetterende talige innovatie van niet-moedertaalsprekers, relevante vraagstukken als migratie en identiteit, de meest uiteenlopende culturele referenties en een onwelvoeglijk aanstekelijke humor. Maar Montecore heeft Safran Foer niet nodig om naar waarde geschat te kunnen worden.
Het verhaal? De jonge Zweeds-Tunesische schrijver Jonas krijgt een e-mail van Kadir, zijn vaders ‘antiekste vriend’ – Kadir stelt voor om samen een biografie te schrijven van Jonas’ vader Abbas, een fotograaf die van de aarde verdwenen lijkt. Als bijlage stuurt hij meteen de proloog van het boek mee en een evocatie van Abbas’ kindertijd. Dat is het begin van een uitvoerige conversatie tussen Kadir en Jonas, die als derwisjen rond het beeld van de verdwenen vaderfiguur dansen en hoofdstukken van de roman leveren. Khemiri draagt daarbij de overtuiging uit dat het verleden een menselijke constructie is – niet zelden contrasteren de gedetailleerde bijdragen van Kadir met de jeugdherinneringen van Jonas.
Het pad van Abbas loopt van het Tunesische dorp Jendouba, waar Kadir hem volgde als ‘de neger in Lethal Weapon Mel Gibson’, naar de kuststad Tabarka, waar hij zijn tijd als beach boy sleet – het was de tijd waarin ‘arabiciteit seksuele frequentie’ aantrok. Hij ontmoet er de Zweedse toeriste Pernilla, die hij uiteindelijk naar Stockholm volgt.
Zweden blijkt geen land van melk en honing. Toch richt Abbas, ondanks chronisch geldgebrek, op een dag zijn eigen fotostudio op, in navolging van zijn idool Frank Capa. Maar de wet van vraag en aanbod dwingt hem al snel naar de niche van de hondenfotografie – het lot is een strenge ceremoniemeester. Bovendien botst Abbas bij zijn integratie in Stockholm overal op vooroordelen. De maatschappij verhardt zienderogen; neonazi’s lopen schaamteloos over straat en Stockholm wordt het werkterrein van een moordenaar die het op allochtonen heeft gemunt. De schijnbaar tolerante en egalitaire sociaaldemocratie is in werkelijkheid discriminatoir en racistisch.
Khemiri vraagt zich niet af waarom immigranten zich niet integreren in Zweden, maar wel wat hen precies verhindert om zich te integreren. Montecore thematiseert het failliet van een hybride etniciteit – integratie lijkt een utopie. De titel van het boek is veelzeggend: Montecore is de tijger die Roy Horn, de helft van het tijgertemmersduo Siegried & Roy, in 2003 net niet doodbeet. Roy was, na jaren van assimilatie, nog steeds geen tijger onder de tijgers. En zal dat, na zijn eventuele herstel, ook nooit worden.
Toch is Montecore een humanistische balsem op de werkelijkheid. Er is hoop, er zijn uitwegen, er is humor, en Khemiri laat, als een ‘gedrogeerde Strindberg’, de taal alle hoeken van de kamer zien – en die bestrijkt een grote oppervlakte, van Bergman en Brel over NWA en Dr. Phil tot Jean-Claude Van Damme, Habermas en Arabische pornografie.
Khemiri vult de grondlaag van zijn verhaal ook nog aan met een vermakelijk metaniveau. Kadir, die schrijft in een gebrekkig maar origineel patois van Arabisch, Frans en Zweeds, geeft de jonge schrijver tips over taal, stijl, opbouw, woordkeuze en metaforiek – de roman komt zo als in een literair laboratorium langzaam tot stand voor de ogen van de lezers.
Montecore is hip, geestig, snel, relevant, intelligent, stoutmoedig en doorleefd. Eeuwen geleden had hij gebrand op een staak, maar nu loven wij zijn fonkelend talent: Jonas Hassen Khemiri heeft met Montecore een heksentoer volbracht.
Jonas Hassen Khemiri / Montecore, een tijger op twee benen / vertaling: Jasper Popma / De Geus / 318p
Abonneren op:
Reacties (Atom)