donderdag 1 maart 2012

sumobroers - morten ramsland

'Dan ben je blijkbaar vergeten hoe het was', antwoordt het hoofdpersonage van David Mitchells Dertien op de verzuchting van zijn vader dat hij graag zelf weer dertien zou zijn. In Sumobroers van Morten Ramsland is het hoofdpersonage Lars geen dertien maar elf, en ook in de suburbane jungle van Odense in Denemarken is de prepuberteit allerminst een feest.
De jeugd van de beruchte Paradijswijk is anno 1981 bijna permanent in staat van oorlog. Wie wil overleven, moet hopen op een grote broer of constant zijn loyauteit bewijzen aan strategisch gekozen vrienden. De dagelijkse activiteiten zijn even omstreden als gevarieerd. Ze verkennen hun lichaam - ook met dieren - en als ze niet op zoek zijn naar porno, dan martelen ze padden, of binden kleinere kinderen vast in het veen. Zelfs in de bibliotheek wordt Lars scheef bekeken: 'Ik kon me niet herinneren of ik ooit rotzooi had getrapt in de bibliotheek - misschien wel.' Beter is: ongetwijfeld wel.
Het enige alternatief voor geweld is escapisme. Lars vlucht vaak in 'fantasiereizen': hij ontsnapt aan de werkelijkheid door uit zijn lichaam te treden en weg te vliegen tot zijn wijk ver weg is, niet meer dan een plek 'als zoveel andere plekken'. Alleen kan hij dat nooit lang volhouden.
In Denemarken heeft Ramsland vooral naam gemaakt als kinderboekenschrijver, maar internationaal brak hij door met Hondenkop, het Deense Boek van het Jaar in 2005. Zijn eerste roman was een breed opgezette familiegeschiedenis die hem in de traditie plaatste van verhalenvertellers als John Irving en mede-Scandinaven Peter Høeg en Lars Saabye Christensen. Ook in Sumobroers volgen de fantasierijke anekdotes en groteske avonturen elkaar in sneltempo op.
Lars' waanbeelden wortelen in onzekerheid. Wat voert zijn vader in het schild? Is hij wel echt zijn vader? 'We hielden van pa omdat hij ons voortdurend verliet en we verachtten ma omdat ze bleef', vat Lars de situatie samen. Hij gaat op zoek in de wijk, rond de zuiveringsinstallatie en in het veen - de grens tussen de voorstad en het platteland. Dat laatste is bij Ramsland niet onbedorven en bucolisch, maar ongenadig en scabreus, helemaal in lijn met de herijking van de streekroman zoals ook zijn landgenoot Erling Jepsen die toepast. Zowat alle personages hebben grove bijnamen als Overbeet en Spast, en problemen worden rechtuit benoemd: de buitenechtelijke relatie en depressie van zijn vader, de drankzucht van zijn grootvader, het veen dat alles opslokt.
Sumobroers biedt meer dan brutale slapstick. De spanningsboog zit goed: de mysteries die Ramsland introduceert, worden maar geleidelijk aan ontsluierd. Bovendien geeft Ramsland Lars' zoektocht een universele urgentie. De jongen deelt zijn problemen veeleer met de jongeren van pakweg Dimitri Verhulst en Niccolò Ammaniti, dan met die van David Mitchell.
In het doolhof van de prepuberteit stuit Lars op verleidelijke gevaren: de esthetiek van stoerheid, de opwinding van geweld en sadisme. Hij moet ze omzeilen om in de waas van het heden de waarheid van het verleden te vinden. Uiteindelijk streeft Lars net als iedereen naar vrijheid en onschuld, maar ondervindt hij dat verloren onschuld nooit meer terugkomt, en dat de vrijheid van de ene stopt waar die van de ander begint. Sumobroers heeft iets van een bildungsroman, maar Ramsland blijft te dicht bij de oppervlakte om echt op dat genre aanspraak te kunnen maken.
Aan de existentiële dimensie van zijn verhaal voegt Ramsland ook nog een maatschappijkritische laag toe. Als Lars en zijn vrienden wat geld proberen te verdienen door een volkstuintje af te graven, ontdekken ze dat het op een oud afvaldepot ligt, zoals wel met meer tuinverenigingen in Denemarken het geval is. 'Ze hebben het veen met afval gevuld en daarna hebben ze de hele rotzooi aan ons verkocht', klaagt de eigenaar, maar hij wordt als hippie weggezet. Ook de Deense welvaartsstaat kent verliezers, al wonen ze dan in een wijk die een cynische ambtenaar naar de tuin van Eden heeft vernoemd.

Morten Ramsland / Sumobroers / vertaling: Gerard Cruys / De Arbeiderspers / 220p / gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 24/02/2012

vrijdag 24 februari 2012

de laatste griek - aris fioretos

In 2009 greep De laatste Griek van Aris Fioretos, dat de voorbije zomer in het Nederlands verscheen, net naast de prestigieuze, naar Strindberg genoemde Augustprijs. De belangrijkste Zweedse literaire bekroning ging naar het magistrale Holocaustepos De onzaligen van Lodz van Steve Sem-Sandberg.
Alle verhoudingen in acht genomen delen beide romans enkele belangrijke thema’s: identiteit, constructie, gemis, documentatie. Bovendien leven er naast miljoenen Joden ook heel wat Grieken in de diaspora. De laatste Griek volgt het spoor naar Zweden. Aris Fioretos zelf is geboren in Göteborg, maar heeft, zoals ook al blijkt uit zijn naam, Griekse roots. Als Griek in het buitenland heeft hij zichzelf een rol bezorgd in zijn eigen roman – dat schrijft hij althans in zijn inleiding.
Het maakt allemaal deel uit van de mystificatie die aan de roman ten grondslag ligt. In de inleiding vertelt Fioretos dat hij na de dood van een zekere Kostas Kezdoglou een ’manuscript’ heeft gekregen van de overledene met de expliciete wens om het uit te geven. De inleiding is in die zin een aan Borges of Eco herinnerend commentaar van de schrijver van de roman op de verteller van de verhalen die samen de roman vormen.
Het manuscript is een verzameling van honderden registerkaarten, voornamelijk over de naar Zweden geëmigreerde Griek Jannis Georgiadis. Als geheel vormen die kaarten over Jannis een supplement bij de 12-delige Encyclopedie van vertrokken Grieken, een door Kostas’ grootmoeder Helena in 1922, naar aanleiding van een andere emigratiegolf, gestart project.
Voor alle duidelijkheid: ondanks de doorwrochte constructie met de indexkaarten, ondanks het postmoderne topos van het ‘gevonden manuscript’ en ondanks de academische adelbrieven van Fioretos, die als literatuurprofessor in Berlijn en aan John Hopkins gepokt en gemazeld is in de deconstructie, is De laatste Griek erg leesbaar.
Fioretos toont zich een exponent van de leesbare strekking van het postmodernisme, in de geest van de vroege Paul Auster en de late Nabokov, allebei auteurs die hij van het Engels naar het Zweeds heeft vertaald. Met Auster deelt Fioretos overigens twee opmerkelijke literaire thema’s: de fascinatie voor exhaustieve, dwangmatige documentatie, en het spelletje poker met dramatische afloop (zie Austers De muziek van het toeval).
De emigratie van Jannis mag dan al gekaderd zijn in de militaire staatsgreep van Georgios Papadopoulos van 21 april 1967 en het daaropvolgende zeven jaar durende Kolonelsregime, toch is de hoge inzet van een verloren pokerspel de directe aanleiding van zijn vertrek. Hij kiest voor Zweden omdat zijn grote liefde daar al woont.
Het leven van Jannis wordt middels de registerkaarten gefragmenteerd verteld, zonder al te strikte chronologie, met veel vooruit- en achteruitverwijzingen. Komen aan bod: het verleden van zijn familie in een klein dorpje in Griekenland, de historische gebeurtenissen die met de familiegeschiedenis verweven zijn en zijn voortschrijdende assimilatie in Zweden, maar ook de twijfel, de melancholie, de heimwee en het gemis waarmee die assimilatie gepaard gaat.
Het verhaal van Jannis geeft een aanduiding van wat het betekent Griek te zijn, en kan symbool staan voor de levensverhalen van geëmigreerde Grieken. Het is het resultaat van een droom de gemeenschap te herschapen.
Door de beperkte betrouwbaarheid van het geheugen is die herschepping uiteraard een constructie, met slechts een vaag onderscheid tussen feit en verbeelding. ‘De verbeelding is voor de Grieken altijd een vergif geweest’, schrijft Fioretos, maar uiteindelijk hebben ze het, net als poëzie, nodig om het leven verteerbaar te maken. Fioretos benadert zijn taal in elk geval alsof het poëzie is – hij heeft een opvallend rijke, soms bijna barokke en altijd indringende stijl, met een bijzonder talent voor beschrijvingen, en is tegelijkertijd lichtvoetig en relativerend.
Jannis wordt in de roman ‘de Zweedse Hercules’ genoemd – nu de gouden appels van de Hesperiden geplukt zijn en Cerberus uit de onderwereld is gehaald, kan het schrijven van de geschiedenis van vertrokken Grieken als het 13de werk worden beschouwd. Het resultaat, het verslag van een schier eindeloze en door haar ambitie bijna per definitie onmogelijke onderneming, is een even ongewone als interessante en geslaagde roman – zoals we, kortom, van een literaire Hercules mogen verwachten.


Aris Fioretos / De laatste Griek / vertaling: Hans Peter Westin / Querido /  357p

woensdag 11 januari 2012

de hedendaagse deense literatuur

interview in Babel, Klara, 10 januari 2012

"Denemarken is sinds 1 januari voorzitter van de EU. We kennen de Deense Dogma-films, de legoblokjes en de sprookjes van Hans Christian Andersen, maar daar houdt onze kennis doorgaans op. Babel geeft u een stoomcursus Deense cultuur. Correspondent Dirk Evers geeft een introductie in de Deense samenleving. Rob Leurentop praat over de wervelende Deense jazzscène. Interieurarchitecte Gilberte Claes ontwikkelde een vurige passie voor het Deense meubel. Klaus Bondam is directeur van het Deens Cultureel Instituut in Brussel, maar was in een vorig leven adjunct-burgemeester van Kopenhagen en acteur in de beruchte film Festen. Filosoof Karl Verstrynge is helemaal in de ban van Soren Kierkegaard. En met recensent Alexander Van Caeneghem bladeren we door de hedendaagse Deense literatuur." (©klara, 2012)

herbeluisteren op http://radio.klara.be/radio/10_programmas.php?datum=120110&xml_program=KL02120110LBAB.xml (laatste +/- 10 minuten)

zaterdag 24 december 2011

eindejaarslijstje

Wat vond u het beste boek van het jaar?
Darlah (Podium) van Johan Harstad en Vader (De Geus) van Karl Ove Knausgård: de opwindendste Scandinavische stemmen spreken nog steeds Noors. Harstad en Knausgård incarneren met hun proza de essentie van de hedendaagse Scandinavische literatuur: de typische melancholie, de streekroman, christelijke thema's en maatschappijkritisch engagement. Bovendien schrijven ze fantastisch - hypnotiserend, verslavend, strak.
Daarnaast: De kaart en het gebied (Arbeiderspers). De output van Michel Houellebecq is relatief beperkt, maar wat hij doet, is vrijwel zonder uitzondering van hoge kwaliteit en bijzonder interessant. En, al is die eigenlijk op de valreep nog in 2010 gepubliceerd: Bonita Avenue (De Bezige Bij) van Peter Buwalda.
Het was al van Paul Verhaeghens Omega Minor geleden dat een Nederlandstalige roman nog zoveel indruk maakte. Buwalda heeft veel: de thema’s, de reikwijdte, de humor, de stijl.

Welk boek kreeg het voorbije jaar niet voldoende aandacht?
Met Knausgård komt het wel goed, maar het is een raadsel waarom Johan Harstad nog geen vedette is. Net als Buzz Aldrin en Hässelby bleef zijn Darlah (Podium) grotendeels onder de radar. Verder had The ask (Farrar, Straus and Giroux) van Sam Lipsyte dit jaar een Nederlandse vertaling verdiend. 'Hysterically funny … amazing', 'de eerste grote post-Irakroman', zegt de blurb. Daar is geen woord van gelogen.

Welke klassieker wil u in 2012 absoluut (her)lezen?
De wilde detectives (Meulenhoff) van Roberto Bolaño en Een samenzwering van idioten (Vassallucci) van John Kennedy Toole. Of Hoe worden landen welvarend?(ASP) van Adam Smith. Misschien kunnen we er echt nog iets van leren, in plaats van het als alibi voor deregulering te misbruiken.


Eindejaarslijstje gepubliceerd in Standaard der Letteren van 23/12/2011.

vader - karl ove knausgård

In het autobiografische en pijnlijk eerlijke Vader probeert de Noor Karl Ove Knausgård de dood van zijn vader te verwerken. De schrijver klokt af op een kloeke 445 pagina's. Het is daarmee een van de dunste boeken van zijn zes delen en 3.400 pagina's tellende romancyclus Mijn strijd. Hoofdonderwerp: het leven van de schrijver en de dood van zijn vader. Het leven dat het boek beschrijft is bijna doordeweeks, maar het relaas bepaald ambitieus en verslavend.
'Ik herinnerde me nauwelijks gebeurtenissen uit die tijd. De omgeving waarin ze plaatshadden, herinnerde ik me wel. Alle plekken waar ik was geweest, alle vertrekken waarin ik me had opgehouden, herinnerde ik me. Maar niet wat er was gebeurd', schrijft Knausgård. Hij kanaliseert zijn niet-aflatende stroom herinneringen via intuïtie en associatie.

Tussen de praktische vereisten van een leven met een zwangere vrouw en kleine kinderen door, probeert Knausgård te schrijven, maar hij is rusteloos. Geregeld onderbreekt hij zijn herinneringen voor uitweidingen over wat er toe doet: drank, dood, schoonheid, het goede vaderschap, kunst, taal, muziek, schrijven en, natuurlijk, meisjes.

In de tweede helft van het boek reizen Knausgård en zijn broer naar hun oma in Kristiansand, voor de begrafenis van hun vader. Knausgård beschrijft gedetailleerd en rauw zijn gevoelens. Hij huilt veel, maar lijkt niets te verwerken. Het huis blijkt een onleefbaar stort vol lege flessen en hun oma is incontinent, maar ze ruimen alles op. Het is een prima metafoor voor Knausgårds existentiële zoektocht. Want ondanks de monumentale dimensies van zijn proza zit er spaarzaamheid in, en beoogt hij er niet minder dan de essentie van het leven mee. Daarvoor moet hij mentaal puin ruimen, in omzwervingen die soms richtingloos lijken, maar dat nooit zijn.

Knausgårds unieke observatievermogen, brede blik en hypnotiserende vertelkracht geven zijn hoogstpersoonlijke verwerkingsproces een universele waarde. Vader is een mijlpaal in de autobiografische fictie, het werk van een fantastisch schrijver.
 
Karl Ove Knausgård / Vader / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 445p / recensie gepubliceerd in De Standaard der Letteren van 16/12/2011

'Ik ben een stripfiguur in mijn eigen leven' - interview met Karl Ove Knausgård

Karl Ove Knausgård schreef een autobiografische romancyclus van 3.400 bladzijden, Min Kamp. Het eerste deel, Vader, werd onlangs in het Nederlands vertaald. Een gesprek met de controversiële Noor over outsiders, de kracht van de literatuur en nietsontziende eerlijkheid.

Karl Ove Knausgård (1968) is de koning van de onwaarschijnlijke bestseller. In 2004 was zijn op het eerste gezicht onverkoopbare theologische roman over engelen, Kaïn en Abel en Noach een bescheiden hype. De veeleisende, maar overdonderende roman werd vorig jaar in het Nederlands vertaald als Engelen vallen langzaam (DSL 26/11/2010).
Na vijf jaar stilte publiceerde Knausgård het eerste boek van een romancyclus met de uitdagende titel Min Kamp (Mijn strijd). Het won de prestigieuze Brageprijs en de Noorse minister van Cultuur, Anniken Huitfeldt, noemde het 'het beste verhaal over onze generatie'. Wat volgde, was een naar Noorse normen ongeziene literaire sensatie: honderdduizenden verkochte exemplaren en gevallen van milde hysterie waar de schrijver opdook. Dat eerste boek uit de cyclus is nu vertaald als Vader.
Tijdens het interview is de schuchtere Knausgård ontspannen. De dag erna wordt in Noorwegen het zesde en laatste boek van Mijn strijd gepubliceerd, maar hij hoeft er niet bij te zijn.Onvermijdelijk zou dat weer heisa veroorzaken, want het onderwerp van zijn romancyclus is controversieel: Karl Ove Knausgård zelf.
Familieleden en vrienden zijn allerminst geamuseerd door wat ze in uw autobiografisch werk als een schending van hun privacy beschouwen.
'Ik ben blij dat ik deze boeken heb geschreven, maar ik ben niet blij dat ik een stripfiguur ben geworden in mijn eigen leven. Ik zag dit niet aankomen. Ik beschouwde het als een experiment in realistisch proza, en dacht dat niemand geïnteresseerd zou zijn, zelfs mijn uitgever niet, omdat het zo privé is.'
'Ik hield er niet van om over mezelf te schrijven. Elke dag is een strijd geweest, maar ik denk dat er iets interessants in zit, iets dat te maken heeft met de grens tussen literatuur en leven. Ik zou het dus opnieuw doen, maar dan het liefst zonder de roem. Dat zou beter zijn.'
'Vader' gaat vooral over uw vervreemding van uw vader, die met een alcoholprobleem worstelde. Was zijn dood de ultieme aanleiding voor het boek?
'Ja. Daar wilde ik over schrijven. Niet zozeer over de dood zelf, maar over zijn dood. De collectieve verdringing van de dood door de maatschappij, waar ik ook over schrijf, is veeleer een metafoor voor andere dingen waar we niet over spreken. Dat onderdrukkingsmechanisme interesseert me. Iedereen heeft wel een alcoholicus in de familie. De ziektes, de schaamte: het bestaat overal. Alleen, er bestaat in de maatschappij geen manier om daar open over te zijn. In een roman kan dat wel.'
Het autobiografische 'Vader' lijkt niet voortgekomen uit een gebrek aan inspiratie, maar veeleer omdat u iets uit de weg wilde hebben om daarna verder te kunnen.
'De reden dat ik het niet als fictie schreef, is dat het niet werkte. Ik probeerde een verhaal over mijn vader te schrijven, drie of vier jaar na zijn dood, maar het lukte niet. Vervolgens schreef ik wat over mezelf, kleine stukjes, en zo begon het project, op een heel kleine schaal.'
 


Constructie van het zelf
Knausgårds bezwerende poging om via literatuur tot de kern van het leven door te dringen, vereiste een nietsontziende eerlijkheid. Vader is dan ook pijnlijk intiem. Als zijn vrouw hoogzwanger is, geeft hij toe dat hem dat niet bezighoudt. Na de dood van zijn vader legt hij uit hoe hij zijn onderbewustzijn probeert te manipuleren om hem zich alsnog positief te kunnen herinneren.
Kan het succes van het boek te maken hebben met de door sociale media gedomineerde tijdsgeest, waarin iedereen via 'status updates' de details van zijn leven prijsgeeft?
'Het boek en de sociale media hebben allebei te maken met de constructie van het zelf. Maar het succes van Mijn strijd heeft vooral te maken met herkenning, denk ik. Ik krijg brieven van uiteenlopende mensen die me hun eigen verhalen vertellen. Als je echt eerlijk probeert te zijn, voelen mensen zich daarmee verbonden. Bovendien is het hele project natuurlijk sensationeel.'
Helpt het succes u om de moeilijke balans te vinden tussen gezond zelfvertrouwen en nietsontziende zelfkritiek, waarover u in uw boek schrijft?
'Ik ben niet meer zo verlegen als vroeger bij journalisten of op een podium, maar in mijn privéleven is alles nog hetzelfde. Ik ben nog steeds hongerig naar appreciatie, maar die honger is onmogelijk te stillen. Hoe goed of hoe slecht het ook is: ik weet wat dit boek waard is. Ik probeerde zo snel te schrijven als ik kon om van mijn zelfkritiek weg te geraken. Daarin ben ik geslaagd, denk ik. Het resultaat lijkt behoorlijk, maar dat kon me niets schelen. Wat is uiteindelijk goede literatuur? Het is niet: goede zinnen. Het is iets anders. Lawrence Durrell (schrijver van 'The Alexandria quartet', red.) zei over schrijven: “Je moet jezelf een doel stellen, en dan ga je daarheen in je slaap". Ik denk dat het zo is.'
'Vader' is ook een affirmatie van de kracht van literatuur, de bevestiging dat elk leven waarde en belang kan krijgen.
'Dat is waar Mijn strijd om draait. Vaak dacht ik: dit is te klein, dit is te onbeduidend. Maar op hetzelfde moment weet ik ook: dit is ons leven.'
En waarover zou literatuur anders moeten over gaan dan over het leven?
'Dit boek is niet het verhaal van mijn leven, maar van een existentiële zoektocht naar betekenis. Wie in die richting gaat, passeert religie, mystiek, alles dat buiten de taal ligt. Dat ik daar in literatuur kan naar zoeken, is een van de redenen waarom ik schrijf.'
U schrijft uitvoerig over kunst in essayistische uitweidingen. In schilderijen zoekt u zuiverheid, schoonheid, oneindigheid. Geldt dat ook voor literatuur?
'Nee, literatuur en plastische kunst zijn verschillende dingen. Ik beschouw mezelf als een intuïtief schrijver. Mijn intuïtie leidt me ergens heen, en dan begint het analytische gedeelte. Ik zie geen letters, alleen beelden. Ik denk dat ik daarom zo naar schilderijen wordt getrokken, vooral naar existentiële schilders als Anselm Kiefer, Gerhard Richter, en de enigmatische, schizofrene Lars Hertevig.'
 


Hitler en Breivik
Vader is veel meer dan een hyperrealistisch, autobiografisch project. Knausgård beschouwt het schrijven als een manier om zijn verlangen naar beheersing te stillen. Maar de bevrediging van dat verlangen betekent meteen ook het einde van de literatuur, want ze impliceert dat de toekomst niet bestaat. Zonder toekomst geen utopie of literatuur, die altijd nauw met de utopie verbonden is geweest.
Wat u probeert te doen, is 'fictie met fictie bestrijden' om de utopie te vrijwaren. Het deed me denken aan Anders Breivik.
'Ik heb daarover geschreven in het laatste boek van Mijn strijd, in een essay van vierhonderd pagina's. Omdat ik de naam van mijn vader niet mocht gebruiken in Vader, raakte ik gefascineerd door de kracht van namen. Via Paul Celan, die in zijn laatste gedichten geen namen meer gebruikt, ga ik naar Hitlers Mein Kampf en Breiviks manifest. De opvallendste overeenkomst tussen die twee teksten is dat er geen “jij" is, alleen “ik", “wij" en “zij". Terwijl tussen het zelf en een “jij" net de ruimte ligt voor de roman.'
'Op het eiland Utøya zei iemand tegen Breivik: “Je mag me niet vermoorden". Dat was een jij, een gezicht, ogen. Hij overleefde. Dat heeft te maken met taal, hoe de maatschappij taalkundig is gestructureerd en wat het betekent om buiten de maatschappij te staan. Breivik stond erbuiten en werd dus niet gecontroleerd en gecorrigeerd. Ook de schrijver draait zich weg van de maatschappij. Dat interesseert me heel erg.'
Omdat Breivik zichzelf zag als utopisch schepper?
'Inderdaad, net als Hitler. God zei tegen Abel: “Waarom kijk je naar beneden? De zonde zal je bekruipen, en bovendien zie je dan de ander niet,. Maar Abel richt zich niet op en wordt door Kaïn vermoord. Dat zegt iets over wat het betekent binnen of buiten de maatschappij te staan, wat het is om jezelf te zijn. Daar gaat ook Mijn strijd over. De grenzen van de maatschappij zijn erg duidelijk - ik voel het in mijn lichaam als ik ze overschrijd. Als ik onmenselijk was, zou ik volledig eerlijk kunnen zijn; wie menselijk is, kan dat niet. De minuut dat Breivik beseft wat hij gedaan heeft, moet hij zelfmoord plegen.'
'Ik zie parallellen: hij en ik zaten in ons eentje te schrijven, sommige onderwerpen zijn dezelfde, onze culturele achtergrond ook. Hoe kon hij dat in godsnaam doen? Elke Noor moet die vraag voor zichzelf beantwoorden.'
Welk project komt er nu aan, na deze monumentale cyclus van 3.400 bladzijden?
'Er komen geen projecten meer aan, tenzij essays. Erkenning kan ook corrumperen, want ik moet ermee omgaan, en goed proza schrijven na dit. Nu heb ik een publiek, en dat moet ik proberen tevreden te stellen. Dat is nieuw voor mij.'
Interview gepubliceerd in Standaard der Letteren van 16/12/2011.