zondag 19 oktober 2008

montecore, een tijger op twee benen - jonas hassen khemiri

Jonas Hassen Khemiri is de Midas van de Zweedse literatuur – wat de jonge schrijver aanraakt, verandert meteen in goud: hij heeft in meerdere genres succes bij de critici, verkoopt veel boeken en wint vlot literaire prijzen. Het is voorwaar geen frequente combinatie.

Montecore, een tijger op twee benen, zijn tweede roman, komt uit Scandinavië overwaaien in een wolk van lof en hemelshoge verwachtingen. En het dient gezegd: Khemiri trekt alle registers open en lost de beloftes volledig in. Montecore is een ambitieuze onderneming – op vele vlakken is de roman te vergelijken met Alles is verlicht van Jonathan Safran Foer: de schijnbaar complexe verhaalstructuur die zich toch als vanzelfsprekend aan de lezer presenteert, de spetterende talige innovatie van niet-moedertaalsprekers, relevante vraagstukken als migratie en identiteit, de meest uiteenlopende culturele referenties en een onwelvoeglijk aanstekelijke humor. Maar Montecore heeft Safran Foer niet nodig om naar waarde geschat te kunnen worden.  

Het verhaal? De jonge Zweeds-Tunesische schrijver Jonas krijgt een e-mail van Kadir, zijn vaders ‘antiekste vriend’ – Kadir stelt voor om samen een biografie te schrijven van Jonas’ vader Abbas, een fotograaf die van de aarde verdwenen lijkt. Als bijlage stuurt hij meteen de proloog van het boek mee en een evocatie van Abbas’ kindertijd. Dat is het begin van een uitvoerige conversatie tussen Kadir en Jonas, die als derwisjen rond het beeld van de verdwenen vaderfiguur dansen en hoofdstukken van de roman leveren. Khemiri draagt daarbij de overtuiging uit dat het verleden een menselijke constructie is – niet zelden contrasteren de gedetailleerde bijdragen van Kadir met de jeugdherinneringen van Jonas.

Het pad van Abbas loopt van het Tunesische dorp Jendouba, waar Kadir hem volgde als ‘de neger in Lethal Weapon Mel Gibson’, naar de kuststad Tabarka, waar hij zijn tijd als beach boy sleet – het was de tijd waarin ‘arabiciteit seksuele frequentie’ aantrok. Hij ontmoet er de Zweedse toeriste Pernilla, die hij uiteindelijk naar Stockholm volgt.

Zweden blijkt geen land van melk en honing. Toch richt Abbas, ondanks chronisch geldgebrek, op een dag zijn eigen fotostudio op, in navolging van zijn idool Frank Capa. Maar de wet van vraag en aanbod dwingt hem al snel naar de niche van de hondenfotografie – het lot is een strenge ceremoniemeester. Bovendien botst Abbas bij zijn integratie in Stockholm overal op vooroordelen. De maatschappij verhardt zienderogen; neonazi’s lopen schaamteloos over straat en Stockholm wordt het werkterrein van een moordenaar die het op allochtonen heeft gemunt. De schijnbaar tolerante en egalitaire sociaaldemocratie is in werkelijkheid discriminatoir en racistisch.

Khemiri vraagt zich niet af waarom immigranten zich niet integreren in Zweden, maar wel wat hen precies verhindert om zich te integreren. Montecore thematiseert het failliet van een hybride etniciteit – integratie lijkt een utopie. De titel van het boek is veelzeggend: Montecore is de tijger die Roy Horn, de helft van het tijgertemmersduo Siegried & Roy, in 2003 net niet doodbeet. Roy was, na jaren van assimilatie, nog steeds geen tijger onder de tijgers. En zal dat, na zijn eventuele herstel, ook nooit worden.

Toch is Montecore een humanistische balsem op de werkelijkheid. Er is hoop, er zijn uitwegen, er is humor, en Khemiri laat, als een ‘gedrogeerde Strindberg’, de taal alle hoeken van de kamer zien – en die bestrijkt een grote oppervlakte, van Bergman en Brel over NWA en Dr. Phil tot Jean-Claude Van Damme, Habermas en Arabische pornografie.

Khemiri vult de grondlaag van zijn verhaal ook nog aan met een vermakelijk metaniveau. Kadir, die schrijft in een gebrekkig maar origineel patois van Arabisch, Frans en Zweeds, geeft de jonge schrijver tips over taal, stijl, opbouw, woordkeuze en metaforiek – de roman komt zo als in een literair laboratorium langzaam tot stand voor de ogen van de lezers.

Montecore is hip, geestig, snel, relevant, intelligent, stoutmoedig en doorleefd. Eeuwen geleden had hij gebrand op een staak, maar nu loven wij zijn fonkelend talent: Jonas Hassen Khemiri heeft met Montecore een heksentoer volbracht.

Jonas Hassen Khemiri / Montecore, een tijger op twee benen / vertaling: Jasper Popma / De Geus / 318p

zaterdag 6 september 2008

de kunst om in koor te huilen - erling jepsen

Wat moet iemand doen als een groot verdriet zich aandient? Het is de ervaring van de elfjarige Allan dat mensen daarbij hulp kunnen gebruiken. Zijn vader heeft de gave van het woord - hij kan prachtige toespraken houden op begrafenissen, zeker als Allan hem bij de hand neemt en zijn droevigste gezicht trekt. Ze beheersen de kunst om in koor te huilen.

'Ging er maar gauw eens iemand dood, iemand die wij kennen, dan kan vader doen waar hij echt heel goed in is', denkt Allan soms. Na een goede grafrede komen er meer mensen in hun kruidenierszaak en vinden de mensen papa aardig. Waardoor die zijn gezin weer aardig vindt, en zo gaat het met iedereen beter.

Mama houdt vol dat het geluk van het gezin niet afhangt van de juiste mensen die op het juiste moment doodgaan, maar voor de zekerheid maakt Allan toch een dodenlijst op. In zijn zorgvuldigheid etaleert hij een oprechte bezorgdheid om het gezinswelzijn: ook oma, per slot van rekening oud en nutteloos, komt op de lijst.

Papa en Allan schuimen samen begrafenissen af, ook van wildvreemden, om papa's talent te verzilveren. Maar op de achtergrond van dat succesverhaal woekert onrust.

Schuldig plezier

Wanneer papa last heeft van zijn zwakke zenuwen, wil hij dat zijn dochter Sanne met haar korte rokje bij hem op de bank komt liggen. Dan trekt hij de deken over hen heen - achteraf is hij altijd vrolijk. Sanne niet; ze verandert, beeft, denkt dat ze stilletjes gek wordt. Ze kondigt aan dat ze mensen wil doden. Daarom wordt ze opgesloten in een instelling. Het gezin probeert de opname uit eerlijke schaamte te verzwijgen, maar uiteindelijk sijpelt het verhaal toch door naar de buitenwereld. Velen weten wat er aan de hand is, of hebben een vermoeden, maar iedereen zwijgt.

De kunst om in koor te huilen heeft opvallende gelijkenissen met het verhaal dat de Deense regisseur Thomas Vinterberg vertelt in de film Festen. Beide verhalen hebben een plot die zijdelings over incest gaat en vallen op door hun benadering van het taboe. 'Als je de ernst van het leven inziet, dan huil je', heeft Allan van zijn vader geleerd, maar het boek van Jepsen is onweerstaanbaar scherp en grappig. Door een loodzwaar onderwerp met sterke zwarte humor te verwerken, roept hij bij de lezer schuldig plezier op.

Veel van Jepsens humor is terug te voeren op het perspectief dat hij gebruikt. Hij vertelt zijn verhaal via de wereldwijze maar naïeve tiener Allan, die geen last heeft van politieke correctheid. Hij begrijpt de wereld niet zo goed, maar heeft net als zijn vader sterke neigingen om alles in zijn wereldbeeld te doen passen. Als zijn studerende broer op bezoek met mes en vork eet hoewel het zondag noch feestdag is, vreest papa volgens Allan dat hij 'homo' is - 'wat dat ook mag zijn'.

Alleen maar gek

Allan bekijkt zijn vader met veel sympathie, ondanks een woekerend schuldgevoel. Zijn oprechte vaderliefde leidt de lezer met zachte hand verder in het verhaal, tot die zich plots bewust wordt van de morele gevolgen van die sympathie. Allan wil uiteindelijk zelf de loutering afdwingen. Hij neemt de regie van de gebeurtenissen in de hand en neemt het op voor zijn zus, die tenslotte 'alleen maar gek en niet dom' is.

'Niets is zo slecht of het is ergens goed voor', zegt Allan optimistisch. Dat geldt dat ook voor Erling Jepsen zelf. Naar aanleiding van de verfilming van zijn boek als The art of crying sprak de auteur over het autobiografische gehalte van zijn roman. Het verdriet uit zijn jeugd heeft zo nog iets goed opgeleverd.


Erling Jepsen / De kunst om in koor te huilen / vertaling: D. Grit en E. Koenders / Cossee / 220p / recensie gepubliceerd in De Standaard der Letteren

zondag 8 juni 2008

de entertainer - lars saabye christensen

Een gospelkoor is nooit alleen. Anders ligt het voor een pianist – en dan zeker in het noorden van Noorwegen.

Ooit droomde Jonathan Grep van Satie en Schumann. Ooit was hij tot diep in zijn lange, dunne vingers doordrongen van de wil concertpianist te worden, maar tussen droom en daad stonden zijn gebrek aan talent en een pianolerares. ‘Ik had te hoge verwachtingen van je, Jonathan. Kun je me dat vergeven?’, vraagt ze hem later. Hij is geen virtuoos, maar heeft wel een zekere charme.

Zijn alternatief is een carrière als restaurantmusicus. Spelen doet hij op een orgel, een allesbehalve minderwaardig instrument dat volgens Thomas van Aquino de ziel verheft naar het hoge. Maar anders dan concertpianisten zijn restaurant- of dansmusici wel ‘de mijnwerkers van de muziek, de handelsreizigers van de hits’. Zij huldigen één mantra: spelen met waardigheid is belangrijker dan spelen zonder fouten.

Jonathan pleistert in een anoniem hotel in het noorden van Noorwegen omdat hem daar, als tegenprestatie voor zijn orgelspel, kost en inwoon is beloofd. Maar hij kan zich niet goed aanpassen aan de stralend lichte nachten en lijdt aan slapeloosheid – een langzame manier van sterven die hem van binnenuit opvreet. Hij maakt in het hotel kennis met Sara en Solveig, de vreemde halfzusjes die samen de receptie van zijn hotel bemannen en tegen beter weten in het dorp zijn blijven wonen. Sara wil, net als Jonathan, de duisternis uit haar lichaam verdrijven en droomt overdag en ’s nachts van Viking-graven. Hij praat wel met de meisjes, maar ervaart woorden als valse vrienden: ‘Altijd weer die woorden die je bedriegen, hun tong uitsteken, spugen, je onder je voeten kietelen, je rug likken en in je nek bijten’.

De rest van het dorp is niet minder excentriek – de dokter, de veerman, de grafdelver, de hoteleigenaar, de dirigent van de fanfare: ze leven samen met hun trauma’s, interne verdeeldheid en vooral een hoop prachtige oude verhalen. ‘Hier vieren we de dood’, krijgt Jonathan te horen in het dorp. Onder kleine stenen rusten de doden; regen en wind wissen hun namen weg, zodat ze het eeuwige leven krijgen.

Toch probeert Jonathan zich maatschappelijk te integreren in de kleine, gesloten gemeenschap. Omdat elk leven tenslotte een project nodig heeft, legt hij zichzelf een opdracht op: de man van de verzoening worden. Maar terwijl hij rusteloos wacht op een geschikt toneel voor de tragische dorpsverzoening, wordt alles plots helemaal anders.

‘Ik groef alleen maar gaten waar ik mijn hoofd in kon steken om aan de wind te ontsnappen’, voert Jonathan aan ter verdediging van zijn gedrag. Maar hij leert dat wat je ook probeert, je hoe dan ook sporen achterlaat. Er is altijd iemand die je inhaalt, er is altijd iemand die iets van je weet: dat is wat het betekent om mens te zijn.

Lars Saabye Christensen publiceerde Jubel al in 1995 in het Noors. De Nederlandse vertaling maakt 13 jaar later duidelijk waarom Christensen, die al sinds 1976 een indrukwekkende productie aanhoudt, zo populair is in Scandinavië: hij vat de menselijke conditie van de maatschappelijke buitenstaander en de noordse melancholie treffend in een meedogenloos amalgaam van onschuld, dreiging en mysterie. Dat doet hij in een poëtische en humoristische stijl die spaarzaam doorspekt is met absurditeit en slapstickelementen. Zijn personages ademen menselijkheid.

Jonathan Grep is in de eerste plaats een entertainer, maar hij is meer – hij is: idealist, cynicus en humanist. Zijn tragiek is dat hij nooit lang achtereen ongelukkig of gelukkig kan zijn. En dat hij dat volledig zelf beseft. Het beste is dan ook: alles te dragen met waardigheid, want waardigheid maakt de meester.

Lars Saabye Christensen / De entertainer / vertaling: Paula Stevens / De Geus / 282p

zaterdag 10 mei 2008

peter høeg - smilla's gevoel voor sneeuw

Groenland heeft, naast sneeuw en Inuit, ook een koloniaal verleden; pas in 1979 kreeg het grootste eiland ter wereld volledig zelfbestuur van Denemarken. De migratie van kolonie naar metropool is geen fraai verhaal: de Groenlanders in Denemarken kreunen onder het alcoholmisbruik, een hoge werkloosheid en de onverschilligheid van de Denen.

Smilla Jaspersen, 37, is de dochter van een zeehondenvangster uit Groenland en een Deense dokter. In haar appartementsblok in Kopenhagen wonen ook Esajas, een zesjarige, half verwaarloosde jongen en zijn drinkende Groenlandse moeder. Zijn vader is overleden. Smilla is een surrogaatmoeder voor Esajas. Ze beleven samen Denemarken in al zijn schoonheid en grijze tristesse.

Wanneer op een droevige dag het koude lichaam van Esajas gevonden wordt, gelooft Smilla niet dat hij domweg van het dak is gevallen - dat is de versie van de politie, die maar één paar voetafdrukken vindt. Smilla heeft als glaciologe gewerkt; haar gevoel voor sneeuw vertelt haar dat de jongen opgejaagd werd voor hij viel of sprong. De dood van de jongen is een ontploffing die Smilla op drift slaat - ze trekt op onderzoek uit.

Zo raakt ze verwikkeld in de duistere machinaties van een kryolietbedrijf - kryoliet is de grondstof die tijdens de Tweede Wereldoorlog de handel tussen Groenland en Noord-Amerika reanimeerde. Het bedrijf is de exponent van de omgang van Denemarken met zijn kolonie: eenzijdig gericht op geldgewin, zonder aandacht voor leven en welzijn.

'IJs draagt zijn geschiedenis aan de oppervlakte: het is heel duidelijk', zegt Smilla. Mensen zijn minder transparant, zeker als ze geen afgebakende culturele identiteit hebben. Tijdens haar onderzoek opent ze de doos van Pandora; haar leven is voortdurend in gevaar, maar Smilla zet door, als een echte Deense, met een mengeling van angst, onverwoestbaar optimisme en een ijzeren wil om te verdringen wat er om haar heen gebeurt.

Peter Høeg heeft het moordmysterie en de postkoloniale dimensie met korte, gebalde zinnen samengesmolten tot een urgente thriller. Uitweidingen over wiskunde, filosofie, politieke theorie, scheepskunde en geschiedenis brengen zijn wereld tot leven; in die wereld is Denemarken een getroebleerde controlemaatschappij.

Smilla's speurtocht brengt haar uiteindelijk op een expeditie naar Gela Alta, een eenzaam ijseiland voor de kust van Groenland. Het is een naar Jules Vernes De gouden kegel verwijzende ontknoping in een onmetelijke ijswoestijn. 'Alleen aan wat je niet begrijpt, kun je een eind maken', schrijft Høeg.

Gepubliceerd in De Standaard der Letteren als Blufboek 093