zaterdag 24 december 2011

eindejaarslijstje

Wat vond u het beste boek van het jaar?
Darlah (Podium) van Johan Harstad en Vader (De Geus) van Karl Ove Knausgård: de opwindendste Scandinavische stemmen spreken nog steeds Noors. Harstad en Knausgård incarneren met hun proza de essentie van de hedendaagse Scandinavische literatuur: de typische melancholie, de streekroman, christelijke thema's en maatschappijkritisch engagement. Bovendien schrijven ze fantastisch - hypnotiserend, verslavend, strak.
Daarnaast: De kaart en het gebied (Arbeiderspers). De output van Michel Houellebecq is relatief beperkt, maar wat hij doet, is vrijwel zonder uitzondering van hoge kwaliteit en bijzonder interessant. En, al is die eigenlijk op de valreep nog in 2010 gepubliceerd: Bonita Avenue (De Bezige Bij) van Peter Buwalda.
Het was al van Paul Verhaeghens Omega Minor geleden dat een Nederlandstalige roman nog zoveel indruk maakte. Buwalda heeft veel: de thema’s, de reikwijdte, de humor, de stijl.

Welk boek kreeg het voorbije jaar niet voldoende aandacht?
Met Knausgård komt het wel goed, maar het is een raadsel waarom Johan Harstad nog geen vedette is. Net als Buzz Aldrin en Hässelby bleef zijn Darlah (Podium) grotendeels onder de radar. Verder had The ask (Farrar, Straus and Giroux) van Sam Lipsyte dit jaar een Nederlandse vertaling verdiend. 'Hysterically funny … amazing', 'de eerste grote post-Irakroman', zegt de blurb. Daar is geen woord van gelogen.

Welke klassieker wil u in 2012 absoluut (her)lezen?
De wilde detectives (Meulenhoff) van Roberto Bolaño en Een samenzwering van idioten (Vassallucci) van John Kennedy Toole. Of Hoe worden landen welvarend?(ASP) van Adam Smith. Misschien kunnen we er echt nog iets van leren, in plaats van het als alibi voor deregulering te misbruiken.


Eindejaarslijstje gepubliceerd in Standaard der Letteren van 23/12/2011.

vader - karl ove knausgård

In het autobiografische en pijnlijk eerlijke Vader probeert de Noor Karl Ove Knausgård de dood van zijn vader te verwerken. De schrijver klokt af op een kloeke 445 pagina's. Het is daarmee een van de dunste boeken van zijn zes delen en 3.400 pagina's tellende romancyclus Mijn strijd. Hoofdonderwerp: het leven van de schrijver en de dood van zijn vader. Het leven dat het boek beschrijft is bijna doordeweeks, maar het relaas bepaald ambitieus en verslavend.
'Ik herinnerde me nauwelijks gebeurtenissen uit die tijd. De omgeving waarin ze plaatshadden, herinnerde ik me wel. Alle plekken waar ik was geweest, alle vertrekken waarin ik me had opgehouden, herinnerde ik me. Maar niet wat er was gebeurd', schrijft Knausgård. Hij kanaliseert zijn niet-aflatende stroom herinneringen via intuïtie en associatie.

Tussen de praktische vereisten van een leven met een zwangere vrouw en kleine kinderen door, probeert Knausgård te schrijven, maar hij is rusteloos. Geregeld onderbreekt hij zijn herinneringen voor uitweidingen over wat er toe doet: drank, dood, schoonheid, het goede vaderschap, kunst, taal, muziek, schrijven en, natuurlijk, meisjes.

In de tweede helft van het boek reizen Knausgård en zijn broer naar hun oma in Kristiansand, voor de begrafenis van hun vader. Knausgård beschrijft gedetailleerd en rauw zijn gevoelens. Hij huilt veel, maar lijkt niets te verwerken. Het huis blijkt een onleefbaar stort vol lege flessen en hun oma is incontinent, maar ze ruimen alles op. Het is een prima metafoor voor Knausgårds existentiële zoektocht. Want ondanks de monumentale dimensies van zijn proza zit er spaarzaamheid in, en beoogt hij er niet minder dan de essentie van het leven mee. Daarvoor moet hij mentaal puin ruimen, in omzwervingen die soms richtingloos lijken, maar dat nooit zijn.

Knausgårds unieke observatievermogen, brede blik en hypnotiserende vertelkracht geven zijn hoogstpersoonlijke verwerkingsproces een universele waarde. Vader is een mijlpaal in de autobiografische fictie, het werk van een fantastisch schrijver.
 
Karl Ove Knausgård / Vader / vertaling: Marianne Molenaar / De Geus / 445p / recensie gepubliceerd in De Standaard der Letteren van 16/12/2011

'Ik ben een stripfiguur in mijn eigen leven' - interview met Karl Ove Knausgård

Karl Ove Knausgård schreef een autobiografische romancyclus van 3.400 bladzijden, Min Kamp. Het eerste deel, Vader, werd onlangs in het Nederlands vertaald. Een gesprek met de controversiële Noor over outsiders, de kracht van de literatuur en nietsontziende eerlijkheid.

Karl Ove Knausgård (1968) is de koning van de onwaarschijnlijke bestseller. In 2004 was zijn op het eerste gezicht onverkoopbare theologische roman over engelen, Kaïn en Abel en Noach een bescheiden hype. De veeleisende, maar overdonderende roman werd vorig jaar in het Nederlands vertaald als Engelen vallen langzaam (DSL 26/11/2010).
Na vijf jaar stilte publiceerde Knausgård het eerste boek van een romancyclus met de uitdagende titel Min Kamp (Mijn strijd). Het won de prestigieuze Brageprijs en de Noorse minister van Cultuur, Anniken Huitfeldt, noemde het 'het beste verhaal over onze generatie'. Wat volgde, was een naar Noorse normen ongeziene literaire sensatie: honderdduizenden verkochte exemplaren en gevallen van milde hysterie waar de schrijver opdook. Dat eerste boek uit de cyclus is nu vertaald als Vader.
Tijdens het interview is de schuchtere Knausgård ontspannen. De dag erna wordt in Noorwegen het zesde en laatste boek van Mijn strijd gepubliceerd, maar hij hoeft er niet bij te zijn.Onvermijdelijk zou dat weer heisa veroorzaken, want het onderwerp van zijn romancyclus is controversieel: Karl Ove Knausgård zelf.
Familieleden en vrienden zijn allerminst geamuseerd door wat ze in uw autobiografisch werk als een schending van hun privacy beschouwen.
'Ik ben blij dat ik deze boeken heb geschreven, maar ik ben niet blij dat ik een stripfiguur ben geworden in mijn eigen leven. Ik zag dit niet aankomen. Ik beschouwde het als een experiment in realistisch proza, en dacht dat niemand geïnteresseerd zou zijn, zelfs mijn uitgever niet, omdat het zo privé is.'
'Ik hield er niet van om over mezelf te schrijven. Elke dag is een strijd geweest, maar ik denk dat er iets interessants in zit, iets dat te maken heeft met de grens tussen literatuur en leven. Ik zou het dus opnieuw doen, maar dan het liefst zonder de roem. Dat zou beter zijn.'
'Vader' gaat vooral over uw vervreemding van uw vader, die met een alcoholprobleem worstelde. Was zijn dood de ultieme aanleiding voor het boek?
'Ja. Daar wilde ik over schrijven. Niet zozeer over de dood zelf, maar over zijn dood. De collectieve verdringing van de dood door de maatschappij, waar ik ook over schrijf, is veeleer een metafoor voor andere dingen waar we niet over spreken. Dat onderdrukkingsmechanisme interesseert me. Iedereen heeft wel een alcoholicus in de familie. De ziektes, de schaamte: het bestaat overal. Alleen, er bestaat in de maatschappij geen manier om daar open over te zijn. In een roman kan dat wel.'
Het autobiografische 'Vader' lijkt niet voortgekomen uit een gebrek aan inspiratie, maar veeleer omdat u iets uit de weg wilde hebben om daarna verder te kunnen.
'De reden dat ik het niet als fictie schreef, is dat het niet werkte. Ik probeerde een verhaal over mijn vader te schrijven, drie of vier jaar na zijn dood, maar het lukte niet. Vervolgens schreef ik wat over mezelf, kleine stukjes, en zo begon het project, op een heel kleine schaal.'
 


Constructie van het zelf
Knausgårds bezwerende poging om via literatuur tot de kern van het leven door te dringen, vereiste een nietsontziende eerlijkheid. Vader is dan ook pijnlijk intiem. Als zijn vrouw hoogzwanger is, geeft hij toe dat hem dat niet bezighoudt. Na de dood van zijn vader legt hij uit hoe hij zijn onderbewustzijn probeert te manipuleren om hem zich alsnog positief te kunnen herinneren.
Kan het succes van het boek te maken hebben met de door sociale media gedomineerde tijdsgeest, waarin iedereen via 'status updates' de details van zijn leven prijsgeeft?
'Het boek en de sociale media hebben allebei te maken met de constructie van het zelf. Maar het succes van Mijn strijd heeft vooral te maken met herkenning, denk ik. Ik krijg brieven van uiteenlopende mensen die me hun eigen verhalen vertellen. Als je echt eerlijk probeert te zijn, voelen mensen zich daarmee verbonden. Bovendien is het hele project natuurlijk sensationeel.'
Helpt het succes u om de moeilijke balans te vinden tussen gezond zelfvertrouwen en nietsontziende zelfkritiek, waarover u in uw boek schrijft?
'Ik ben niet meer zo verlegen als vroeger bij journalisten of op een podium, maar in mijn privéleven is alles nog hetzelfde. Ik ben nog steeds hongerig naar appreciatie, maar die honger is onmogelijk te stillen. Hoe goed of hoe slecht het ook is: ik weet wat dit boek waard is. Ik probeerde zo snel te schrijven als ik kon om van mijn zelfkritiek weg te geraken. Daarin ben ik geslaagd, denk ik. Het resultaat lijkt behoorlijk, maar dat kon me niets schelen. Wat is uiteindelijk goede literatuur? Het is niet: goede zinnen. Het is iets anders. Lawrence Durrell (schrijver van 'The Alexandria quartet', red.) zei over schrijven: “Je moet jezelf een doel stellen, en dan ga je daarheen in je slaap". Ik denk dat het zo is.'
'Vader' is ook een affirmatie van de kracht van literatuur, de bevestiging dat elk leven waarde en belang kan krijgen.
'Dat is waar Mijn strijd om draait. Vaak dacht ik: dit is te klein, dit is te onbeduidend. Maar op hetzelfde moment weet ik ook: dit is ons leven.'
En waarover zou literatuur anders moeten over gaan dan over het leven?
'Dit boek is niet het verhaal van mijn leven, maar van een existentiële zoektocht naar betekenis. Wie in die richting gaat, passeert religie, mystiek, alles dat buiten de taal ligt. Dat ik daar in literatuur kan naar zoeken, is een van de redenen waarom ik schrijf.'
U schrijft uitvoerig over kunst in essayistische uitweidingen. In schilderijen zoekt u zuiverheid, schoonheid, oneindigheid. Geldt dat ook voor literatuur?
'Nee, literatuur en plastische kunst zijn verschillende dingen. Ik beschouw mezelf als een intuïtief schrijver. Mijn intuïtie leidt me ergens heen, en dan begint het analytische gedeelte. Ik zie geen letters, alleen beelden. Ik denk dat ik daarom zo naar schilderijen wordt getrokken, vooral naar existentiële schilders als Anselm Kiefer, Gerhard Richter, en de enigmatische, schizofrene Lars Hertevig.'
 


Hitler en Breivik
Vader is veel meer dan een hyperrealistisch, autobiografisch project. Knausgård beschouwt het schrijven als een manier om zijn verlangen naar beheersing te stillen. Maar de bevrediging van dat verlangen betekent meteen ook het einde van de literatuur, want ze impliceert dat de toekomst niet bestaat. Zonder toekomst geen utopie of literatuur, die altijd nauw met de utopie verbonden is geweest.
Wat u probeert te doen, is 'fictie met fictie bestrijden' om de utopie te vrijwaren. Het deed me denken aan Anders Breivik.
'Ik heb daarover geschreven in het laatste boek van Mijn strijd, in een essay van vierhonderd pagina's. Omdat ik de naam van mijn vader niet mocht gebruiken in Vader, raakte ik gefascineerd door de kracht van namen. Via Paul Celan, die in zijn laatste gedichten geen namen meer gebruikt, ga ik naar Hitlers Mein Kampf en Breiviks manifest. De opvallendste overeenkomst tussen die twee teksten is dat er geen “jij" is, alleen “ik", “wij" en “zij". Terwijl tussen het zelf en een “jij" net de ruimte ligt voor de roman.'
'Op het eiland Utøya zei iemand tegen Breivik: “Je mag me niet vermoorden". Dat was een jij, een gezicht, ogen. Hij overleefde. Dat heeft te maken met taal, hoe de maatschappij taalkundig is gestructureerd en wat het betekent om buiten de maatschappij te staan. Breivik stond erbuiten en werd dus niet gecontroleerd en gecorrigeerd. Ook de schrijver draait zich weg van de maatschappij. Dat interesseert me heel erg.'
Omdat Breivik zichzelf zag als utopisch schepper?
'Inderdaad, net als Hitler. God zei tegen Abel: “Waarom kijk je naar beneden? De zonde zal je bekruipen, en bovendien zie je dan de ander niet,. Maar Abel richt zich niet op en wordt door Kaïn vermoord. Dat zegt iets over wat het betekent binnen of buiten de maatschappij te staan, wat het is om jezelf te zijn. Daar gaat ook Mijn strijd over. De grenzen van de maatschappij zijn erg duidelijk - ik voel het in mijn lichaam als ik ze overschrijd. Als ik onmenselijk was, zou ik volledig eerlijk kunnen zijn; wie menselijk is, kan dat niet. De minuut dat Breivik beseft wat hij gedaan heeft, moet hij zelfmoord plegen.'
'Ik zie parallellen: hij en ik zaten in ons eentje te schrijven, sommige onderwerpen zijn dezelfde, onze culturele achtergrond ook. Hoe kon hij dat in godsnaam doen? Elke Noor moet die vraag voor zichzelf beantwoorden.'
Welk project komt er nu aan, na deze monumentale cyclus van 3.400 bladzijden?
'Er komen geen projecten meer aan, tenzij essays. Erkenning kan ook corrumperen, want ik moet ermee omgaan, en goed proza schrijven na dit. Nu heb ik een publiek, en dat moet ik proberen tevreden te stellen. Dat is nieuw voor mij.'
Interview gepubliceerd in Standaard der Letteren van 16/12/2011.

maandag 8 augustus 2011

darlah. 172 uur op de maan - johan harstad

Darlah is in de nieuwe roman van Johan Harstad de naam van een fictieve maanbasis in de Zee der Stilte, waar Armstrong en Aldrin landden in 1969. Ze werd tussen 1972 en 1974 gebouwd. De Nasa was van plan om er personeel te stationeren, maar raakte in 1976 het grootste deel van haar financiële steun kwijt. De reden: wat op de maan ontdekt werd, was ‘niet de soort ontdekking waar je geld voor krijgt om het verder te onderzoeken'.

Toch staat in Darlah voor 2012 een nieuwe maanexpeditie gepland. Om fondsen te werven en media-aandacht te krijgen wordt een wereldwijde loterij uitgeschreven om drie tieners mee te nemen in de spaceshuttle. De winnaars zijn Mia uit Stavanger, Midori uit Tokio en Antoine uit Parijs. Maar kort na hun aankomst in de maanbasis loopt het al fout – geleidelijk wordt het duidelijk welke ijzingwekkende ontdekkingen in 1976 de geldstroom hebben doen opdrogen.

Pageturner

Harstad heeft van die intrinsiek spannende materie een beklijvende pageturner gemaakt. Daartoe gebruikt hij naast klassieke thrillerelementen als suspense en voorafspiegelend vertellerscommentaar ook enkele horrorthema's: een hele hoop doden, de luchtledigheid op de maan (waardoor niemand je kan horen schreeuwen), de urban legend van Kuchisake-Onna (zie Wikipedia), 6EQUJ5 (in de astronomie bekend als het ‘Wow!-signaal') en dubbelgangers.

Referenties naar tv-series als Lost en Twin Peaks en filmklassiekers als Alien, Solaris en The exorcist: het is, zoals steeds bij Harstad, een feest van herkenning. Hij noemt Darlah ‘een soort eerbetoon aan de genrefilms en de boeken' waarmee hij is opgegroeid – dat betekent vooral dat beschrijvingen en karaktertekening louter ten dienste staan van de plot, maar toch is het resultaat meer dan een stijloefening. Thematisch past Darlah in de lijn van zijn twee vorige, eveneens uitstekende romans, Buzz Aldrin en Hässelby.

De basishouding van Harstads personages is onvrede met het leven-zoals-het-is. Antoine is gedumpt door zijn lief, alsof de tijd die hij had ‘op de parkeermeter van de liefde', afgelopen was. Midori wordt gepest op school, schuilt in de extravagante subcultuur van Tokio en is op haar hoede voor de Japanse val: vroeg trouwen met een saaie kantoorklerk en huisvrouw worden. Mia kanaliseert haar ontevredenheid in haar band. Een ander belangrijk personage, Himmelfarb, de voormalige conciërge van Area 51, volgt de expeditie vanuit het home waar hij eenzaam op de dood zit te wachten, en slaagt er niet in de mensheid te waarschuwen.

Escapisme

De maanreis lijkt voor de personages een prima manier om hun problemen te ontvluchten. Escapisme is een constante bij Harstad, maar telkens blijkt het principieel zinloos. Terwijl de jongelui in de ruimte absolute vrijheid zoeken, vinden ze de beklemming van een astronautenpak, een spaceshuttle, een maanbasis. Vluchten maakt de problemen alleen maar erger.

Daarnaast heeft Harstad in het verhaal nog enkele van zijn obsessies verwerkt: de teloorgang van iconen, onverklaarbare fenomenen en het einde van de wereld. De Nasa, het icoon van wetenschappelijke almacht en kolonisatiedrang van de mens, vertilt zich in zijn ambitie. De onverklaarbare fenomenen zijn de voortekenen die de jongelui krijgen voor ze vertrekken: ze hadden kunnen weten dat het fout kon lopen als ze open hadden gestaan voor wat onwerelds leek. Het einde van de wereld, tenslotte, is zowel een gedachte-experiment als de potentiële ultieme consequentie van de maanexpeditie.

Het basso continuo van Harstad is onbehagen. ‘And as things fell apart, nobody paid much attention', zingen Talking Heads op de mp3-speler van Mia. Het balt een cruciale bekommernis van Harstad samen: de wereld gaat verloren, en niemand doet er iets aan. Hij stelt het melancholisch vast, betreurt het, maar esthetiseert het ook, in tedere en ontroerende beelden, en besluit ondanks alles met een positieve boodschap: ‘pas als je opgeeft, houdt het allemaal echt op'. In het aanzicht van de dood komt het besef hoe mooi alles is, en dat in deze wereld alles mogelijk is. Het is misschien nog net niet te laat om te veranderen.

In Noorwegen werd Darlah oorspronkelijk als ‘adolescentenroman' in de markt gezet, maar laat u niets wijsmaken: de nieuwe meesterproef van wellicht het allergrootste talent in de Scandinavische literatuur is een boek voor iedereen. Darlah is verslavend, beklemmend, ontroerend, intelligent en gewoon verschrikkelijk goed geschreven.


Johan Harstad / Darlah. 172 uur op de maan / vertaling: Paula Stevens / Podium / 368p / recensie 'Verrassing op de maan' gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 05/08/2011

zondag 10 juli 2011

de kinderen van de olifantenhoeders - peter høeg

De Deen Peter Høeg heeft een nieuwe roman uit, De kinderen van de olifantenhoeders. Misschien komt hij opnieuw in de gratie van lezers en critici.

Ooit was de publicatie van een nieuwe Peter Høeg een gebeurtenis. De 54-jarige Deen werd na zijn debuut Voorstelling van de twintigste eeuw meteen omarmd door lezers en critici en brak in 1992 wereldwijd door met het verfilmde Smilla's gevoel voor sneeuw. Maar hij liet zich niet vastpinnen op het succes van Smilla, een donker moordmysterie, en exploreerde met elk nieuw boek nieuwe stijlen. Ergens onderweg haakten lezers en critici af - De stilte en het meisje uit 2006, Høegs eerste roman in tien jaar, werd in Denemarken afgedaan als een te complex experiment.

Na vijf jaar stilte is Høeg nu terug met een nieuw boek: De kinderen van de olifantenhoeders. Het is geen tegemoetkoming aan de kritiek, maar een vrij ingewikkeld en ambitieus bouwwerk met tal van verhaallijnen, flashbacks, uitweidingen en kleurrijke personages. De toon is vrolijk en licht, ver weg van de somberte die als een donderwolk boven Smilla hangt.

Sprookjesachtig

Maar ondanks die toon hapt De kinderen van de olifantenhoeders niet eenvoudig weg. Høeg heeft het verhaal een interne logica meegegeven, maar die is vrij fantastisch. Wie even niet oplet, is gedoemd te verdwalen.

Een deel van de complexiteit van het verhaal zit in de rijke symboliek. Neem de titel: olifantenhoeders zijn mensen die 'binnen in zich iets hebben dat veel groter is dan zij zijn en waar ze geen controle over hebben', schrijft Høeg. De meesten slagen erin om die interne olifant het grootste deel van hun leven in bedwang te houden, maar af en toe breekt dat beest uit, en dan moeten ze erachteraan. Daarnaast zit de symboliek ook in de sprookjesachtige personages en in het decor: het fictieve eilandje Finø, in de al even fictieve Zee der Mogelijkheden.

De olifantenhoeders uit de titel zijn de ouders van het veertienjarige hoofdpersonage Peter, een dominee en zijn echtgenote. Hun olifant is religie, en ook wel geld. Wanneer ze tijdens een reis verdwijnen, gaat Peter met zijn broer, zus en hond op zoek. Ze komen hun ouders op het spoor, maar vinden ook een misdaadbende op hun weg. Hun onorthodoxe, maar doeltreffende speurwerk trekt de aandacht van politie en geheime diensten, en naarmate hun tocht langs de meest bizarre plaatsen en mede- en tegenstanders vordert, worden de rollen omgedraaid.

Kinderen

De eerste zin van de roman zet de toon: 'Ik heb een deur gevonden die uit de gevangenis voert. Hij komt uit op de vrijheid. Ik schrijf dit om jou de deur te laten zien.' Vrijheid is volgens Peter en zijn zus een basisvoorwaarde voor geluk. In hun zoektocht komen ze daarbij, als domineeskinderen, onvermijdelijk op het terrein van religie, mystiek en fundamentalisme. De interessante apotheose van het verhaal speelt op een grote oecumenische synode.

De hoofdpersonages zijn niet toevallig kinderen - ze vertegenwoordigen een puurheid in het zoeken naar zin en geluk. Høeg probeert te onderzoeken hoe ze in het leven staan, en hoe wij daar als volwassenen mee omgaan. Als neveneffect van hun vrijheidsstreven moeten de kinderen zich ook losmaken van hun ouders. Dat heeft zijn prijs: hun onschuld, en veel eenzaamheid.

Er is best wel wat tegen De kinderen van de olifantenhoeders in te brengen. Het bouwwerk van de roman is ingewikkeld en soms warrig; de symboliek is soms hermetisch; de uitweidingen doen niet altijd ter zake en de precieze toedracht wordt nooit helemaal duidelijk. Maar Høeg is wel voortdurend onderhoudend en grappig en zijn belangrijkste eigenschap, zijn vermogen tot schaamteloos ongebreidelde fantasie, is onaangetast. De kinderen van de olifantenhoeders is verre van een perfecte roman, maar met die critici en lezers komt het wel weer goed.

Peter Høeg / De kinderen van de olifantenhoeders / vertaling: Gerard Cruys / Meulenhoff / 368p / recensie 'De olifant in elk van ons' gepubliceerd in De Standaard der Letteren op 06/07/2011

donderdag 16 juni 2011

'het kansloze escapisme van johan harstad'

Terwijl de sociaaldemocratie onder vuur ligt als dirigent voor de financiële en economische crisis, neemt de Noorse schrijver Johan Harstad haar ook kwalijk dat ze geen antwoord biedt op enkele fundamentele menselijke behoeftes. In zijn nieuwe roman Darlah is dat niet anders: groot zijn de bezwaren tegen het leven in het boek. Toch is vluchten voor de beste Scandinavische schrijver van het moment nooit een oplossing.

Darlah. 172 uur op de maan (2011) is een scifi-thriller. Harstad heeft het over een fictieve maanbasis in de Zee der Stilte, waar Armstrong en Aldrin landden in 1969. Om makkelijker media-aandacht en fondsen te werven voor een nieuwe maanexpeditie naar Darlah in 2012, schrijft de NASA een loterij uit om drie tieners mee te nemen: Mia uit Stavanger, Midori uit Tokio en Antoine uit Parijs. Alleen: de NASA heeft nooit verklaard waarom ze precies terug naar de maan wil. De uiteindelijke expeditie ontdekt al snel dat het reizen naar de maan in de jaren 1970 niet zomaar stopgezet is.

Met Darlah wijkt Harstad vormelijk en inhoudelijk af van zijn blauwdruk in Buzz Aldrin, waar ben je gebleven? (2006) en Hässelby. Het demonteren kan beginnen (2009), waarin een naïeve ik-verteller zijn eigen kleine verhaal verweeft met een groter maatschappelijk verhaal: respectievelijk de maanlanding in 1969 en het verval van de Zweedse sociaaldemocratie. In zijn nieuwe roman daarentegen begint het kleine verhaal met een onbezorgde jeugd, die dan afglijdt tot een besef van volstrekte zinloosheid en culmineert in een eenzame depressie. Tot slot proberen de peronages voorzichtig de ruïnes van hun leven te stutten.

Al is die macrostructuur afwijkend, toch bouwt Harstad met Darlah verder aan een solide, relevant oeuvre. Hij zet zijn figuren in een proefsituatie: uit hun gedrag vallen impliciet conclusies te trekken die ver voorbij de grenzen van de fictie reiken. Het uitgangspunt achter hun verhalen is een diepe onvrede met het leven zoals het is – een vaststelling waarvoor er verschillende, cumulatieve oorzaken zijn.
Onvrede
Harstads romans spelen in een tijd waarin van de grote maatschappelijke ideologieën alleen nog de verhalen resten. De teloorgang van de praktische Scandinavische sociaaldemocratie na de moord op Palme in 1986 is exemplarisch voor het morele failliet van alle bevoogdende verzorgingsstaten. Ze hebben de fundamentele eenzaamheid van de mens niet opgelost, niet iedereen in gelijke mate gelukkig gemaakt en cohorten waarnemers gecreëerd die alles wel zien gebeuren, maar er niets tegen ondernemen. De verzorgingsstaat faalt ook concreet wanneer in Buzz Aldrin het opvangtehuis dat patiënten voorbereidt op re-integratie, geen overheidsgeld meer krijgt en de deuren moet sluiten. De wereld in Darlah is breder dan Scandinavië. In de Verenigde Staten zit een oude man die nog op Area 51 heeft gewerkt, eenzaam in een home op de dood te wachten. In Tokio loert de ‘Japanse val’: mannen die na hun saaie kantoorjobs uitgeput in slaap vallen op de trein, op weg naar hun vroeg getrouwde, verbitterde huisvrouwen.

Daarnaast zijn er de harde wetmatigheden van het leven zelf: de sturende kosmische kracht is blind toeval, de veeleisende arbeidsmarkt vereist complexe keuzes, en van de liefde is niet noodzakelijk verlossing te verwachten. Jongens worden bij Harstad van de ene op de andere dag door meisjes ingeruild voor iemand anders, alsof de tijd die ze hadden ‘op de parkeermeter van de liefde’, simpelweg afgelopen was. Ze worden bedrogen met iemand ‘die niet bang is van het leven’, of ze kiezen er zelf voor om dichter bij hun hopeloos verbitterde vader te zijn, ook al moeten ze daarvoor een prima relatie afbreken waarin ze zich wat minder eenzaam voelden.
Escapisme
Bovendien is er geen god of archimedisch punt: Harstads universum wordt gekenmerkt door de onmogelijkheid van transcendentie. De wereld van zijn personages kent hoogstens nog iconen: bekende modellen of hogere instanties om zich aan te spiegelen. Maar ook die kunnen de leegte van de goden niet opvullen en deemsteren weg. In Darlah is het icoon van dienst de NASA – het ongebreidelde vooruitgangsoptimisme van de mens, de wetenschappelijke almacht, de kolonisatiedrang. In Buzz Aldrin zakt Mattias onder een zwarte zon weg in zijn eigen depressie, zich vereenzelvigend met Buzz, de tweede man op de maan. Die was na zijn avontuur ook zelf al tenonder gegaan in een spiraal van wanen en alcohol. In Hässelby is de verteller dan weer een volwassen versie van Albert Åberg, de kleuter uit de bekende Zweedse kinderboeken van Gunilla Bergström. Hij veroorzaakt eigenhandig het einde van de wereld, waarin hij onvermijdelijk ook zelf verzwolgen wordt.

Harstad ensceneert geen Twilight of the Gods zoals Wagner, of een Twilight of the Idols zoals Nietzsche. Zijn verhaal is een Twilight of the Icons. Gespiegeld aan Nietzsches ideeën tonen Harstads personages hun slavenmoraal door hun ‘decadente’ antwoord op de onvrede en de zinloosheid. Ze zeggen geen volmondig ‘ja’ tegen het leven, zoals Nietzsche voorschreef. Ze ontkennen elke ‘wil tot leven’, elke ‘wil tot macht’, elk streven naar geldingsdrang als vrije helden van het alledaagse. Nee, Harstads figuren blijven onbeslist, raken verstrikt in morele dilemma’s of gaan simpelweg op de vlucht. Hun decadentie is hun onvermogen om het leven, ondanks alle lijden, te omarmen. In tijden waarin ambitie nochtans onbeperkt kan worden uitgeleefd, voert Harstad dus een nieuw soort mens ten tonele: de mens die zich ontreddderd terugtrekt in de schaduw, verlangend naar onzichtbaarheid – uit radeloosheid, uit angst voor de ontgoocheling, omdat wie het geluk heeft gevonden, het ook weer kwijt kan raken. Deze mens belichaamt bescheidenheid, door zijn scherpe besef van menselijke nietigheid.

Ook in Darlah gaan de personages op de vlucht, maar wel een radicaal andere richting uit. Ze geven de anonimiteit op in een gemediatiseerde maanexpeditie. Het is de prijs die ze betalen om zo ver mogelijk te kunnen vluchten en daarna een ander leven op te bouwen.

Escapisme is een constante bij Harstad, of het nu richting de Faeröer, Hässelby of de maan is. Vluchten lijkt een makkelijke oplossing voor wat er verkeerd loopt, een vorm van radicale vrijheid, maar blijkt toch principieel zinloos. De oneindige vrijheid van de ruimte wordt al snel herleid tot gehoorzaamheid tegenover de professionele astronauten en de claustrofobie van een krappe capsule. Bovendien leidt het tot een ontzettend treurig einde. In Darlah gaat de NASA kapot en wordt de mensheid bedreigd door een mysterieus fenomeen. In Buzz Aldrin bouwen de bewoners van het gesloten opvangtehuis een eenvoudige boot om de Atlantische oceaan over te steken, met hoogst onzekere afloop. En in Hässelby veroorzaakt Albert een Götterdämmerung: hij is in zijn solipsistische depressieve universum niet alleen een icoon, maar ook de ene god.

Die ‘iconendeemstering’ maakt van Harstad niet alleen een iconoclast, maar ook de schrijver met de hamer: hij slaat de iconen kapot, en in dezelfde beweging ook de illusie dat vluchten of ineengedoken niets doen een oplossing is. Dat escapisme van de nieuwe mens is volstrekt kansloos: wie op de wereld en het leven reageert met een verlangen naar onzichtbaarheid, gaat enkel voortijdig ten onder, en sleurt de wereld met zich mee.

Alternatief
Harstads fascinatie voor het Robinson-syndroom – wie als laatste op aarde overblijft, kan enkel vertrouwen op zichzelf en zijn talenten – stelt de inzet van zijn oeuvre op scherp: het worst case scenario is geen vaag luxeprobleem als langer werken, communautaire spanning of minimale collectieve verarming, maar wel het einde van alles.

Het begin van dat einde is precies het failliet van alles waar de sociaaldemocratie voor staat: zorg, solidariteit, sociale cohesie. Ondanks de beklemming van een astronautenpak, een spaceshuttle, een maanbasis, een kleine flat in Hässelby, een benepen flat en dito leven in Tokio, kijken mensen niet meer naar elkaar om. De dakloze in Central Park en de man uit Area 51 prediken in de woestijn. Niemand luistert, voortekenen worden genegeerd, iedereen bemoeit zich enkel met zijn eigen zaken en doet alsof er niets aan de hand is. ‘Het lijkt bijna wel of we zijn opgehouden om voor elkaar te zorgen, zijn opgehouden rekening met elkaar te houden’, stelt Harstad in zijn nawoord bij Hässelby. ‘Wij zijn bezig elkaar op te geven.’

Terwijl de mensen van elkaar niet merken dat ze verloren gaan, wordt iedereen wel in de gaten gehouden door een mysterieuze instantie. De missie in Darlah wordt gemonitord door Big Brother en unheimliche dubbelgangers, die heersen op de maan en perfect weten wie de astronauten zijn. In Hässelby is er het zwarte notitieboekje, ‘dik als een baksteen’, dat het hele doen en laten van Albert bevat, gedocumenteerd door een demon die hem jarenlang heeft geobserveerd. Bij Harstad is er steeds het onbehaaglijke gevoel dat iemand alles in het donker in de gaten houdt.

Als de mens niet meer voldoet aan de vereisten, maakt hij zichzelf overbodig en houdt het ras op. ‘Ondanks het feit dat het object van het begin af aan werd beschouwd als de beste mens van allemaal, is het niet mogelijk een andere conclusie te trekken dan dat hij, net als de andere observatieobjecten, één grote teleurstelling is geweest. Er is geen reden meer voor het in stand houden...’, schrijft Harstad in Hässelby. Toch blijft er in zijn oeuvre altijd hoop, want alles houdt pas echt op als je opgeeft. Harstad formuleert wel degelijk alternatieven voor niets doen en vluchten. Ze zijn opvallend basaal en bereikbaar: opnieuw voor elkaar zorgen, naar elkaar luisteren, het weefsel van de gemeenschap verstevigen, en de heroïek van het alledaagse.

Harstads krachtige werk, het beste dat Scandinavië de laatste jaren te bieden heeft, staat in het teken van de bekende woorden van Rilke: ‘Du musst dein Leben ändern’. Harstads relevantie en engagement schuilen in de testresultaten van zijn fictielabo. In een wereld waarin van de maatschappelijke ideologieën alleen nog maar de verhalen resten, waarin elk archimedisch punt voor zingeving ontbreekt en waarin van de liefde geen verlossing te verwachten valt, blijken verlangens naar onzichtbaarheid en escapisme niet alleen onproductief, maar ook ronduit gevaarlijk. Die wereld kunnen we benoemen: het is, onrustwekkend genoeg, de onze. Het moet anders, het moet beter, want het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.

Essay 'Het kansloze escapisme van Johan Harstad' gepubliceerd in rekto:verso
<http://www.rektoverso.be/nummers/928-zomerlijn-2011/1715-het-kansloze-escapisme-van-johan-harstad>

donderdag 9 juni 2011

'meer dan melancholie' - panorama van recente scandinavische fictie

Met twaalf Nobelprijzen, en daar is Strindberg niet eens bij, staat de Scandinavische literatuur garant voor een sterke literaire traditie. Vandaag wordt ze voortgezet door de Zweden Per Olov Enquist en Torgny Lindgren, de Noren Per Petterson en Jan Kjaerstad, de Fin Arto Paasilinna en de Deen Jens Christian Grøndahl. Bevestigt of doorprikt de recente Scandinavische literatuur de typische clichés? Een panorama van de recente Scandinavische fictie in vertaling.

Op het jongste Winternachtenfestival in Den Haag sprak de Brits-Italiaanse schrijver Tim Parks over de internationalisering van de literatuur. Wie de rechten van zijn roman in het buitenland wil slijten, moet zijn verhaal inpassen in het bestaande beeld van zijn land: ‘Hoezeer je je individualiteit, je onafhankelijkheid van je eigen cultuur ook koestert, toch kun je er maar beter voor zorgen dat je een interessant nationaal product te verkopen hebt op de internationale markt: Scandinavische melancholie, Ierse burleske, de Zuid-Amerikaanse volkstraditie.’ Het grootste cliché over Scandinavië is inderdaad dat melancholie er uitbundig floreert, naast de idee dat het uit democratische modelstaten is opgetrokken. Maar geldt dat ook voor de literatuur, zoals Parks beweert?

Voor een deel alvast wel. Productie en export van Scandinavische melancholie zijn er wel degelijk, vaak in geësthetiseerde vorm. Het elegantst gebeurt dat in de herinneringsromans van Grøndahl en Petterson, waar het geheugen op gang gebracht wordt door de geur van wondvocht. Hun thema’s zijn diepmenselijk en basaal: tijd, verlangen, herinnering, dood, liefde, verlies. En hun romans vertonen vergelijkbare structuren: een klassieke aanloop, een crisismoment dat de personages dwingt om terug te kijken, en loutering, of net niet. De romans zijn melancholisch in de zin dat de personages aan het leven lijden, en de blik gericht hebben op het verleden in plaats van op de toekomst: ze zoeken naar het begrip van een bepaald moment, dat noodzakelijk is om opnieuw met het leven verzoend te geraken.

Grøndahl voert in Dat weet je niet (2010) en De tijd die nodig is (2008) personages op die problemen hebben met de liefde, en een bijna natuurkundige weerstand tegen geluk. Hij analyseert hoe het heden hun visie op het verleden kleurt. De personages van Pettersons Ik vervloek de rivier des tijds (2010) zitten vast in herinneringen aan de tijd toen beslissingen nog keuzes waren en kansen nog gegrepen konden worden. Ook De Italiaan (2010) van Sven Olov Karlsson is een roman-in-herinneringen met een bij uitstek melancholisch uitgangspunt: een boer takelt af en bereidt zich voor op de dood. De Finse debutante Riika Pulkkinen bewijst met De grens (2009) uit dezelfde school te komen, maar zij steunt minder op het herinneringsprocedé. Haar destructieve hoofdpersonage heeft een doodsverlangen na een ongelukkige liefde – niets kan nog zijn zoals het was voor het fout liep.

modelstaat in verval

Toch is er meer dan alleen maar melancholie. De literatuur die de laatste jaren uit de Scandinavische talen vertaald wordt, is vaak opvallend realistisch: herkenbaar, vrij conventioneel, in Scandinavië gesitueerd en hedendaags. De wereld die ze toont, is die van de sociaaldemocratische welvaartstaat. Alleen blijkt die modelstaat ook minder bekende, donkere kanten te hebben, vooral dan in Zweden. In een essay over het werk van Henning Mankell merkte Slavoj Žižek ooit op dat de Zweedse misdaadauteur in zijn verhalen over Wallander wel het rigide framework van de detectiveroman gebruikt, met de ‘oplossing’, het ‘begrip van de drijfveren’ en de ‘morele veroordeling’. Maar, voegde hij eraan toe, Mankell vult dat kader apart in: ‘not only with the expected existential-depressive stuff, but primarily with the social topic to which ultimately even the existential aspect is subordinated – in one word, the long and painful decay of the Swedish welfare state.’

De maatschappijkritiek in de Zweedse literatuur die dat pijnlijke verval illustreert, heeft drie speerpunten: Stieg Larsson valt frontaal de instellingen aan, Johan Harstad de sociale component en Jonas Hassen Khemiri de multiculturaliteit.

Larsson evoceert Mankells ‘painful decay’ in zijn Millenniumtrilogie: Mannen die vrouwen haten (2006), De vrouw die met vuur speelde (2007) en Gerechtigheid (2008). Hij is representatief voor wat Ian MacDougall ‘Schwedenkrimi’ noemt: een tegenwoordig bijzonder populaire variant op het oorspronkelijke Britse misdaadgenre die zijn plots injecteert met een opvallend sociaal en politiek bewustzijn. Larsson beschrijft de diepe malaise waarin Zweden is verzeild. De politieke instellingen zijn onbetrouwbaar, de staat heeft elk moreel gezag verloren en op elk niveau heerst corruptie: politieke functionarissen zijn betrokken in prostitutienetwerken, de politie is geïnfiltreerd, de getatoeëerde hacker Lisbeth Salander wordt verkracht door haar voogd, de onderzoeksjournalist Mikael Blomkvist wordt onterecht veroordeeld. De staat slaagt er niet meer in om zijn kerntaken naar behoren te vervullen. Er komt geen antwoord op de stijgende werkloosheid en criminaliteit, het sociale systeem wordt misbruikt, en niemand weet hoe het met de illegale immigratie moet. De implicaties daarvan zijn groter dan in West-Europa het geval zou zijn, omdat het Zweedse model net is gebouwd met de bedoeling om alle aspecten van het leven te regelen.

Waar de personages van Larsson net weerbaar worden uit verontwaardiging over onrecht en verval, loopt het bij Johan Harstad, een Noor die over Zweden schrijft, helemaal anders. Hoofdpersonage Albert Åberg uit Hässelby (2009) vecht niet, maar sukkelt in een depressie. De romans van Harstad gaan over mensen die zich tegen het leven proberen te wapenen. Ze zoeken verlossing, maar gaan verloren. De oorzaak daarvan is een complex amalgaam, maar cruciaal daarin is een fundamentele ontgoocheling ten opzichte van de Zweedse maatschappij. Zeker sinds de moord op premier Palme in 1986 resten van de grote maatschappelijke ideologieën alleen nog de verhalen. Harstad beschouwt de teloorgang van het praktische Scandinavische socialisme als exemplarisch voor het morele failliet van de bevoogdende verzorgingsstaten: ze hebben de fundamentele eenzaamheid van de mens niet opgelost, ze hebben niet iedereen in gelijke mate gelukkig gemaakt en ze hebben cohorten waarnemers gecreëerd die alles wel zien gebeuren, maar er niets meer tegen ondernemen.

Jonas Hassen Khemiri richt in Montecore (2008) zijn pijlen op het Zweedse multiculturalisme. Hij vertelt over een jonge Zweeds-Tunesische schrijver die een biografie schrijft van zijn vader Abbas, die spoorloos verdwenen is. Abbas worstelde bij zijn integratie in Stockholm met vele vooroordelen en zag de maatschappij verharden: neonazi’s lopen schaamteloos over straat en Stockholm wordt het werkterrein van een moordenaar die het op allochtonen heeft gemunt. Khemiri ontmaskert de schijnbaar tolerante en egalitaire sociaaldemocratie als discriminatoir en racistisch. Hij vraagt zich niet af waarom immigranten niet integreren in Zweden, maar wel wat hen precies verhindert om zich te integreren. Montecore thematiseert het failliet van een hybride etniciteit. Integratie lijkt een utopie. Ons beeld van de Scandinavische modelstaat blijkt een projectie, een droombeeld zonder reële gronden. Larsson, Harstad en Khemiri hebben het brutaal aan diggelen geslagen.
historisch engagement
In Komt dat zien (2008) schrijft Lotta Lundberg over enkele dwergen die van Coney Island naar Europa vertrekken om uit het freakshowcircuit te ontsnappen. Ook zij wijst uiteindelijk op de zwarte rand van de Zweedse heilstaat – de dwergen vinden er geen perspectief op waardigheid, maar eindigen als attractie in een Zweeds pretpark. De sociaaldemocratie verlangde zo naar een utopie dat de prijs quasi ongemerkt te hoog werd. Er kwam een sterilisatiewetgeving en experimenten met eugenetica. Conformeren aan de lichamelijke norm werd het hoogste goed. Het verschil met Larsson, Harstad en Khemiri is dat Lundberg schrijft over de jaren 1930 en haar engagement heeft ingebed in een historische roman. Ze geeft een stem aan hen die er geen meer hebben, maakt een monument tegen het vergeten.

Sara Stridsberg doet in Droomfabriek (2010) iets vergelijkbaars met Valerie Solanas, de vrouw die Andy Warhol neerschoot in 1968, maar de Finse Sofi Oksanen staat met Zuivering (2009) dichter bij de visie van Lundberg. Oksanen gelooft dat wie de stemmen hoort die voorheen niet werden gehoord, daarna genuanceerder en dus beter kan oordelen. Ze schetst via een ontmoeting tussen een vluchtend meisje en een oude Estse vrouw een beeld van enkele cruciale en traumatiserende maar quasi onbekende periodes in de Estse geschiedenis: de bezetting door de nazi’s en de communisten in de jaren 1940, de repressie en uiteindelijk de onafhankelijkheid na de versplintering van de Sovjet-Unie in 1991.

Al deze romans bouwen voort op het werk van Per Olov Enquist, die met grondig gedocumenteerde historische romans als De vijfde winter van de magnetiseur (2002) en Het bezoek van de lijfarts (2000) de lat hoog heeft gelegd in Scandinavië. Ze zijn erudiet en meeslepend verteld, en ze proberen een nieuw perspectief op de geschiedenis te bieden, waardoor ze vaak controversieel zijn. Op die manier dient het genre een bijzondere zoektocht naar waarheid.


De chirurgijn van de koningin (2008) van Agneta Pleijel werd expliciet in de markt gezet als ‘roman in de geest van […] Het bezoek van de lijfarts’, maar de opvallendste opvolger van Enquist is Steve Sem-Sandberg. Met De onzaligen van Łódź (2011), over het joodse getto van Łódź tijdens de Tweede Wereldoorlog, heeft hij een monumentale roman afgeleverd. Hij volgt er de opkomst en ondergang van de joodse gettoleider Chaim Rumkowski en de verschrikkelijke morele compromissen die hij sluit. Met Enquist deelt hij ook zijn fascinatie met het onderlinge verraad tussen slachtoffers.

In het verlengde van de historische romans valt ook de verrijzenis van christelijke thema’s te bespeuren. De Noor Karl Ove Knausgård schreef met Engelen vallen langzaam (2010) een verpletterende theologische fantasie over de aard der engelen. Het is een uitdagend cultuurhistorisch en theologisch discours dat de onluisterende degeneratie van engelen door de eeuwen heen verklaart en de dood van God vaststelt. Daarnaast is het ook een hervertelling van de verhalen van Kaïn en Abel en Noach, maar dan in een negentiende-eeuwse Scandinavische context.

Christelijke thema’s duiken ook op bij Lars Husum, Torgny Lindgren en Jón Kalman Stefánsson (Hemel en hel, 2010). Ze schrijven geen religieuze romans, maar gebruiken de thema’s als decor voor verhalen van boete, verlossing en genade. Husum voert in Mijn vriendschap met Jezus (2009) een man op die zich Jezus noemt en een psychopaat terug op het rechte pad wil brengen. Als voorwaarde voor verlossing eist Jezus de omkering van enkele cruciale waarden uit de seculiere traditie: de psychopaat moet, als ongelovige, volledige overgave tonen aan Jezus en zich afhankelijk maken van zijn vrienden. Lindgren laat in De Bijbel van Doré (2010) zijn verteller de geïllustreerde Bijbel van Gustave Doré uit 1866 reconstrueren, als handleiding voor zijn leven. Het belangrijkste thema van Lindgren is genade – de verteller aanvaardt het leven, hoe onbegrijpelijk het ook kan lijken, door een onvoorwaardelijk geloof in de genade en het besef van de ondoorgrondelijkheid van het geschapene.
de vlag en de lading
In zijn essay over Mankell schrijft Slavoj Žižek: ‘Het belangrijkste effect van globalisering […] is zichtbaar in haar dialectische tegenhanger: de krachtige heropleving van het specifiek lokale als setting van het verhaal – een bij uitstek provinciale omgeving’. Dat uit zich in een laatste opmerkelijke tendens: de streekroman is in blakende gezondheid. Lindgren en Husum ensceneren hun religieuze thema’s in respectievelijk West-Jutland en Västerbotten, bijzonder landelijke gebieden. Ze worden bevolkt door vreemde personages, bij Lindgren zelfs bijna archetypische oerfiguren. Hoewel Lindgren en Husum hun plattelandsromans injecteren met tragikomische en groteske elementen, blijven ze binnen de krijtlijnen van het genre.

Erling Jepsen situeert De kunst om in koor te huilen (2008), Vreselijk gelukkig (2009) en Met oprechte deelneming (2010) in Zuid-Jutland, zijn geboortestreek. Hij documenteert de ruigheid van het plattelandsleven, maar herijkt tegelijk ook de genreconventies door de tegenstelling tussen de verdorven stad en het zuivere platteland volledig om te draaien en er een surrealistische draai aan te geven. Die herijking heeft Jepsen nodig als kader om zijn grimmige verhalen over incest en mishandeling te lijf te gaan met tragikomische zwarte humor. Bij hem is de streekroman helemaal klaar voor de eenentwintigste eeuw.
Dat brengt ons onwillekeurig terug bij Tim Parks. De recente vertaalde literatuur geeft zeker een beeld van het hedendaagse Scandinavië, maar ze gaat verder dan de bestaande beeldvorming. Als de melancholie nog steeds haar vlag is, dan dekt ze bij de interessantste nieuwe stemmen, vooral Noren, toch een veel grotere lading. Fascinerende auteurs als Harstad en Knausgård overstijgen door hun talent en innovatie pogingen tot classificatie en integreren uiteindelijk ook de melancholie, zij het niet als wezenskenmerk. Harstad heeft niet alleen fundamentele bezwaren tegen het Zweedse maatschappijmodel, hij komt op het domein van de religieuze thema’s als hij zijn hoofdpersonage finaal een godendeemstering laat veroorzaken en wordt melancholisch in zijn hoofdstukken over de liefde. Knausgård schrijft niet alleen over engelen en de dood van god, zijn hervertelling van Bijbelklassiekers in een landelijke Scandinavische setting brengt hem ook op het domein van de streekroman. Door een radicale conclusie voor vandaag te trekken, raakt ook hij uiteindelijk die typisch Scandinavische melancholie aan: precies omdat God dood is, heeft niets nog zin of betekenis. Het is melancholie, maar dan met toekomst, hoe onzeker die ook mag zijn.

Essay 'Meer dan melancholie' gepubliceerd in rekto:verso
<http://www.rektoverso.be/nummers/927-nr-47-mei-juni-2011/1685-meer-dan-melancholie-panorama-van-recente-scandinavische-fictie>